vrijdag 30 januari 2015

172. De vergeten verkrachting van Nanking

Actualiteit - Moord en Doodslag/Verkrachting

 





Afschrikwekkend imago

Als je als groep kwaadaardige mannen veel tijd hebt gestoken in het opbouwen van een berucht en afschrikwekkend imago is het natuurlijk wel zaak om de aandacht niet te laten verslappen om te voorkomen dat je op een dag opeens voor watje wordt uitgemaakt.
“Gelukkig” is de Islamitische Staat (IS) zich bewust van dit gevaar en dus circuleerden de afgelopen tijd op internet weer nieuwe walgelijke IS-foto’s en -filmpjes: van homoseksuele mannen die van flats worden afgegooid, van kleine jongetjes die IS-vijanden een kogel door het hoofd "mogen" schieten en van Japanse gijzelaars die zijn onthoofd of dat lot nog staat te wachten.
Al is er op het moment van schrijven nog hoop voor de overgebleven Japanse gijzelaar Kenji Goto dat hij samen met een door de IS gevangen genomen Jordaanse piloot wordt geruild tegen een in Jemen gevangen genomen en ter dood veroordeelde Iraakse jihadiste.
 

Gemengde gevoelens

De Japanse premier Shinzo Abe sprak van de week zijn afschuw uit over de onthoofding van een van zijn landgenoten en noemde het een waanzinnige en ontoelaatbare terreurdaad. Sommige communicatieboodschappen zijn zo logisch als wat, maar moeten desalniettemin toch uitgesproken worden. Elke hoogwaardigheidsbekleder kent dit soort verplichte sociaalwenselijke verklaringen.
Hoe logisch, meelevend en oprecht de woorden van de Japanse premier ook zullen zijn, lijk ik haast een Tweede Wereldoorlogsveteraan als ik zeg dat ze gemengde gevoelens bij me oproepen. Niks ten nadele van de na 1945 geboren liberaal-democratische premier Abe, maar als ik “Japan” en “onthoofding” in één bericht lees, heb ik in de eerste plaats toch andere associaties dan met de IS. Ik moet onmiddellijk aan de door velen vergeten verkrachting van Nanking denken. Om alles maar een beetje in perspectief te brengen...
 

Lieverdjes

Omdat Japan een ver-van-mijn-bed-land is, zullen veel Nederlanders niet eens weten waar ik het over heb. Waar in Nederland onder bepaalde (oudere) mensen richting de Duitsers nog steeds haatgevoelens zullen leven, zal dat niet gelden tegenover Japanners. Ik vermoed dat de meeste Nederlanders eerder neutrale of positieve associaties met Japan hebben dan negatieve.
Hoe anders is dat in China waar de meeste ouderen met terugwerkende kracht er maar al te graag voor zouden hebben getekend dat ze in 1937 niet door Japan maar door Duitsland waren aangevallen. Vergeleken met de Japanners waren de nazi’s haast lieverdjes, hoe absurd dit ook moge klinken.
 

John Rabe

Flagrant voorbeeld van de wreedheid van de Japanners vormde hun inname van de toenmalige hoofdstad van China, Nanking, in december 1937. In zes tot acht weken tijd vermoordden de Japanners naar schatting 300.000 van de 700.000 inwoners van Nanking. En dat hadden er nog heel wat meer kunnen zijn als de Duitse (nazi!) directeur van de Siemensfabriek in Nanking, John Rabe, niet rond de tweehonderdduizend (!) Chinezen zou hebben gered door het creëren van een veiligheidszone middenin de stad. Een aantal waarbij vergeleken de dankzij Steven Spielberg beroemd geworden Oskar Schindler (van de film “Schindler’s List uit 1993) maar een amateurreddertje was. Schindler redde in het huidige Tsjechië de levens van ongeveer duizend joden.
Wie bij Triviant ooit de vraag krijgt “Noem één echte naziheld uit WOII” weet nu dat dat John Rabe moet zijn. Een man die tot de dag van vandaag in China als een heilige wordt beschouwd.
 

Tienduizend-lijken-greppels

Helaas voor de Chinezen gebeurde het moorden van de Japanners in veel gevallen niet op een “humane” (??) manier of met behulp van gaskamers of zo, maar op een meer gruwelijke en sadistische wijze. Voor de Japanners waren Chinezen het laagste van het laagste soort op aarde; üntermenschen (de Japanse term ken ik niet) die het niet verdienden om te leven.
Wie “geluk” had werd door de Japanners met machinegeweren neergemaaid bij de zogenaamde “tienduizend-lijken-greppels” aan de Yangtze. De rivier die na de moorden nog dagenlang rood kleurde van het bloed. Maar wie pech had wachtte een veel wreder lot en werd bijvoorbeeld levend verbrand, levend begraven, doodgeslagen, onthoofd, vastgenageld aan bomen, opgehangen aan de tong of doodgestoken door bajonetten.
Sommige Chinese mannen werden door de Japanners zelfs levend gebruikt voor hun bajonettraining. Naar schatting 80.000 Chinese meisjes en vrouwen werden achtereenvolgens (veelal door groepen) verkracht, verminkt (lichaamsdelen en borsten werden afgesneden) en vermoord. Verder zijn er getuigenissen van gruwelijke gebeurtenissen waarbij Japanse soldaten de buiken van zwangere vrouwen opensneden om de foetus te verwijderen of waarbij ze baby’s omhoog gooiden om ze vervolgens op te vangen op hun bajonetten.
Een bekend verhaal waar de Japanse kranten vol trots melding van maakten, was een wedstrijd tussen twee officieren die erom draaide wie van de twee als eerste honderd Chinezen had onthoofd. Door een soort van gelijkspel werd de wedstrijd verlengd tot het aantal van honderdvijftig zou worden gehaald.
 

Sterk overdreven

Negentien miljoen Chinezen kwamen door de oorlog met Japan om. Tot op de dag van vandaag wordt in Japan het bloedbad van Nanking nog steeds gebagatelliseerd; het zou allemaal sterk overdreven zijn (sommige Japanners spreken dan ook liever van het Nanking “incident”), Japanners zouden zich juist als "humane bezetters" hebben gedragen, China moest eerst maar eens kijken naar de slachtoffers die onder hun eigen leider Mao waren gevallen etc.
Officiële erkenning voor wat er in Nanking is gebeurd en officiële excuses daarvoor zijn er vanuit Japan nooit gekomen. Laat staan dat er herstelbetalingen zijn gedaan (wat medeagressor Duitsland overigens wel deed). In Japan schijnt sowieso een wijdverbreide neiging te bestaan om zichzelf eerder als slachtoffer dan als dader tijdens de Tweede Wereldoorlog te beschouwen. Denk daarbij aan Hiroshima en Nagasaki.

Kadaverdiscipline

Helaas is op de meest interessante vraag, namelijk waarom de Japanners zich zo ontzettend wreed en sadistisch gedroegen, geen sluitend antwoord gevonden. Het zal een combinatie van factoren zijn geweest. Opgebouwde frustratie vanwege de crisisjaren en de overbevolking in Japan; de angst voor het communisme; een aangeleerd superioriteitsgevoel jegens andere (inferieure) rassen/volkeren en een ingepompte overtuiging voorbestemd te zijn als wereldheerser; een door de militaire leiding opgelegde kadaverdiscipline waarbij niets minder dan blinde gehoorzaamheid werd verlangd, etc.
Hoe onaardig, onterecht en oneerlijk misschien ook, merk ik dat ik een volk dat minder dan tachtig jaar geleden - gehersenspoeld of niet - op zo’n grote schaal in staat was tot dergelijke gruwelheden toch nog een beetje wantrouw. De Japanners waren toen in elk geval tot de meest gekke, walgelijke daden in staat. Het zou mij ook niet verbazen als die idiote zelfmoordextremisten van nu de Japanse kamikaze zelfmoordeenheden tijdens het einde van de Tweede Wereldoorlog als voorbeeld beschouwen.

Rare jongens die Jappen

Ik las ooit dat er in een Japanse krant in 1945 een oproep had gestaan voor kamikazepiloten waarbij was toegevoegd “ervaring niet vereist”. “Rare jongens die Jappen.”, zou Obelix van Asterix zeggen. Al zouden de Chinezen er ongetwijfeld een heel ander woord voor gebruiken.
 



Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


 
AFBEELDING ONGESCHIKT VOOR KINDEREN EN GEVOELIGE VOLWASSENEN!!!
 
De verkrachting van Nanking (toelichting overbodig)
 

zondag 18 januari 2015

171. Treuren om iemand die ik niet heb gekend

Actualiteit - Sport - Zelfmoord

 






Zomaar een klein bericht, van de week gelezen. 
 
“Hockeykeepster Inge Vermeulen is maandag op dertigjarige leeftijd overleden. De speelster van SCHC kwam in het verleden ook uit voor Oranje. ‘Wij zijn enorm verdrietig en ontredderd, maar we kunnen niet anders dan haar keuze respecteren. Onze gedachten zijn bij haar familie en vrienden’, schrijft SCHC-voorzitter Stephan van der Vat maandag op de website SCHC. ‘Iedereen bij SCHC kende Inge als een enorm gedreven en gepassioneerde topsportster met een grote betrokkenheid bij onze vereniging. Inge was net dertig jaar geworden.’"
 

Verdrietig

Dit soort berichten raken mij altijd. Ach gossie, zo’n jonge vrouw die normaal gesproken in de bloei van haar leven zou moeten zijn en die nog een hele (wellicht prachtige) toekomst voor zich had gehad. Maar die dat om wat voor reden dan ook zelf blijkbaar niet zo zag. Waardoor haar dierbaren niets anders rest dan haar keuze te respecteren. Heel erg verdrietig.
 

Taboe

Persoonlijk vind ik het ergens jammer dat nergens in dit soort berichten het woord “zelfmoord” of "zelfdoding" genoemd wordt, terwijl dat duidelijk de doodsoorzaak is. Het duidt op een taboe en ik heb een hekel aan taboes. Ik ben van direct zijn en niet om de hete brij heen draaien.
Ondanks dat ik niet iemand ben die overlijdensberichten doorleest, vermoed ik dat het nog steeds vrijwel nooit voorkomt dat er in zo'n bericht staat dat Jan of Piet zelfmoord heeft gepleegd. Als zelfmoord/zelfdoding de doodsoorzaak is, staat dat er volgens mij òf niet in òf je kunt het indirect uit de tekst in het overlijdensbericht opmaken. Bijvoorbeeld door de mededeling dat men het heel verdrietig en onbegrijpelijk vindt maar dat het zijn/haar eigen keuze is geweest.

Het Werther-effect

Ik besef dat er verschillende, uiteenlopende redenen zijn waarom deze gevoelige termen nooit vermeld worden in dit soort berichten. Naast dat het sowieso taboe-termen zijn, kunnen ze ook vervelende gevoelens van pijn en schaamte oproepen en kan men er heel begrijpelijk de voorkeur aan geven om liever over het leven van de overledene te praten dan over de doodsoorzaak. 
Maar er is nóg een belangrijke reden om de woorden zelfmoord en zelfdoding te vermijden. Dit heeft te maken met het zogenaamde "Werther-effect".
De term Werther-effect is ontstaan vanuit de beroemde roman "Die Leiden des Jungen Werthers" (1774) van Johann Wolfgang von Goethe. In dit boek is de hoofdpersoon, de romantische Werther, hopeloos verliefd op Lotte. Op het moment dat Werther beseft dat zijn liefde voor Lotte nooit zal worden beantwoord, pleegt hij zelfmoord. Het verhaal gaat dat na het uitbrengen van dit boek er een golf van zelfmoorden plaatsvond onder jonge mannen die zich met Werther identificeerden. Hierdoor werd het boek zelfs een tijd verboden.

Copycatgedrag 

Omdat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat er bij berichten over zelfmoord inderdaad een risico op copycatgedrag (kopieergedrag) is, waarbij mensen met vergelijkbare depressieve gevoelens zich "aangemoedigd" voelen om óók zelfmoord te plegen, adviseren hulpverleningsinstanties om woorden als zelfmoord en zelfdoding in berichten te vermijden.
Voor hulpverleningsinstanties levert dit een vervelend dilemma op. Aan de ene kant willen ze dat het onderwerp zelfmoord/zelfdoding uit de taboesfeer gehaald wordt, terwijl ze aan de andere dit onderwerp juist in die taboesfeer houden door te adviseren niet over die termen te praten en schrijven.   
Dit is zeker een vervelend dilemma. Zelfmoord komt helaas veel voor. In Nederland gaat het om bijna vijf mensen per dag, zestienhonderd per jaar! Dus in mijn ogen zou dat nooit een taboe mogen zijn. Integendeel. Niemand zou zich ervoor hoeven te schamen om dit onderwerp hardop bespreekbaar te maken. Volgens mij zou dat ook een hoop ellende schelen. Wat een interessante vraag oproept. Wat zou nou meer voordelen (lees: minder zelfdodingen) opleveren: zelfmoord/zelfdoding volledig bespreekbaar maken en aldus volledig uit de taboesfeer halen of zorgen dat we nooit meer ergens lezen of horen over deze termen? Ik weet wel waar mijn voorkeur naar uitgaat... 

  

Schuldgevoel

Zonder Inge te hebben gekend, roept zo’n triest bericht allemaal vragen in mij op. Zoals wat voor vrouw zij was, hoe ze als kind was en hoe dit allemaal zover heeft kunnen komen. En of het iets was wat altijd al in haar zat, waarbij ik doel ik op de genen, de nature-kant: een zwaarmoedige inslag, last van depressies, het hebben van een bepaalde psychische stoornis etc. Of dat het iets anders was en het meer te maken had met recentelijk gebeurde negatieve gebeurtenissen waar ze niet goed mee om kon gaan of zo. Of misschien was het wel een wanhopige, impulsieve daad. 
Natuurlijk heeft het totaal geen zin hiernaar te gissen, terwijl ik haar helemaal niet heb gekend en moet ik dit eigenlijk niet doen. Maar toch gaan dit soort gedachten door mijn hoofd bij zo’n bericht over zo’n jonge vrouw.
Als ouder leef ik ook vanzelf met haar ouders mee voor wie dit wel het meest verschrikkelijke nieuws is dat je als ouder kunt krijgen. Ook al zou het hier om een slepend hulpverleningstraject van jaren zijn gegaan, waarbij dit een “logisch” en te verwachten einde zou zijn geweest met zelfs misschien een soort vorm van opluchting, dan nog is de kans groot dat het schuldgevoel bij de ouders nooit helemaal zal verdwijnen. De “wat als?“ vraag zal nog heel vaak worden gesteld. Hoe onterecht dit ook kan zijn, omdat het nu eenmaal een feit is dat er mensen bestaan die écht dood willen en die zich door niets en niemand ervan zullen laten weerhouden om dit voornemen op een dag ook daadwerkelijk uit te voeren.

 

Cynische gedachte

Triest vind ik ook de gedachte dat het mij niet zou verbazen als diverse mensen om Inge heen helemaal niets door hadden en voor wie dit nieuws als een donderslag bij heldere hemel kwam. Die haar alleen maar kenden als die enorm gedreven en gepassioneerde topsportster en die geen flauw benul hadden van wat er écht in haar hoofd omging.
Een cynische gedachte, omdat - ervan uitgaande dat mijn gedachte klopt - het aantoont dat we in een oppervlakkige wereld leven. In een egoïstische wereld waarin we veel teveel met onszelf bezig zijn en ons te weinig verdiepen in de mensen om ons heen en oprechte belangstelling vaak ontbreekt.
 

Rust zacht

Ach, ik weet het natuurlijk ook allemaal niet. Maar ik weet wel dat ik bezig ben met treuren om iemand die ik niet eens heb gekend. Inge Vermeulen, waar je ook bent: rust zacht…
 





Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 

donderdag 8 januari 2015

170. Een directe reactie van Allah

Actualiteit - Religie en geloof - Heilige boeken en teksten

 




Ingezonden brief van Allah (8 januari 2014)


  
Geachte heer Tonko Lumn,
 

Misverstanden

Na de gebeurtenissen van de laatste tijd rondom Mijn religie en Mijn “Persoon” voel Ik mij genoodzaakt eens en voor altijd wat misverstanden uit de weg te ruimen. U mag zich vereerd voelen dat Ik dat bij u doe - een directe reactie ontvangen van Allah is tenslotte weinigen gegeven - maar dat heeft ook een reden.
Al een tijdje lees Ik uw columns met veel plezier, vooral omdat Ik er regelmatig hartelijk om moet lachen. Misschien verbaast het u, maar inderdaad: ook Ik heb humor! En helaas veel meer dan men denkt. Op de een of andere vreemde manier blijken de meeste mensen zich dat maar moeilijk te kunnen voorstellen. Alsof een Opperwezen geen plezier mag hebben en niet zou mogen lachen of zo. Alsof Ik alleen maar boos en wraakzuchtig zou moeten zijn.
Maar goed, Ik kan het de mens als hun Schepper natuurlijk moeilijk verwijten. Ik en niemand anders is daar tenslotte verantwoordelijk voor. Ik had de mens wel iets meer van mijn eigen gevoel voor humor mogen meegeven zie Ik nu ook in. Maar Ik ben ook maar een God, moet u bedenken (Mijn humor J).
 

Niet perfect

Als u hieruit concludeert dat Ik niet perfect ben, moet Ik u complimenteren. Alhoewel, zo knap is die conclusie nou ook weer niet. Wie naar deze aarde en vooral naar de mensheid kijkt en als Schepper durft te beweren dat Hij perfect is, maakt zichzelf natuurlijk compleet belachelijk.
Inderdaad kan Ik moeilijk ontkennen dat Ik onderweg in het scheppingsproces links en rechts wat steekjes heb laten vallen. Maar ter verdediging van Mezelf: een Universum scheppen is een vrij pittig klusje kan Ik u vertellen. Het is niet voor niets dat Ik daar nu 13,8 miljard jaar later nog steeds van aan het bijkomen ben. Ik zal u ook eerlijk zeggen dat Ik na de Big Crunch, Big Rip of Big Freeze geen plannen heb om het nog een tweede keer te gaan doen. Hoe het heelal overigens aan zijn einde komt, verklap Ik niet. Dat wordt een grote verrassing! 
 

Twijfel over bestaan God

Nee, beweren dat Ik perfect ben terwijl u en Ik wel beter weten, zou nergens op slaan. Ik denk ook niet dat als u in een perfecte wereld had geleefd u ook columnist zou zijn geweest mijnheer Lumn, heb Ik gelijk of niet? Een retorische vraag die u overigens niet hoeft te beantwoorden, want Ik heb altijd gelijk. Een bewering die gelukkig wél helemaal klopt.
Helaas voor u kunt u niet hetzelfde zeggen, want hoe vaak u het in uw columns ook bij het rechte eind heeft (of denkt te hebben), zit u er toch ook regelmatig naast. En Ik als uw Schepper kan het weten.
Zo proef Ik in diverse columns - en dan druk Ik Mij nog héél voorzichtig uit - wat twijfel over het bestaan van een God. Volgens u draait het geloof slechts om de menselijke drang om te willen geloven. Welnu, wie beter dan Ik kan u duidelijk maken dat u hierin ongelijk hebt. Ondanks uw punt dat de mens graag wil geloven, vorm Ik het levende bewijs dat dat niet ten onrechte is. Want ja, Ik besta! Dat veel mensen in andere, niet bestaande Goden geloven is overigens een ander (pijnlijk) verhaal.
 

Het Goede

In uw grappig bedoelde column nummer 160 (klik hier) had u zonder dat u het besefte het wel bij het rechte eind met uw aanname dat Ik/Allah, de enige ware God en Schepper van het Universum zou zijn. Op één klein detail na helaas en daar wil Ik het graag met u over hebben.
Met het wijdverbreide misverstand dat Ik geen humor heb, kan Ik leven. Met de verkeerde aanname dat Ik perfect ben, ook. Wie ben Ik om dat tegen te sprekenJ? Maar suggereren dat Ik de Allah zou zijn zoals dat I.S. (of Al-Qaeda of Boko Haram) tuig Mij voorstelt, gaat Mij toch echt te ver!
Oké, ook hierbij onttrek Ik Mij niet aan Mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik heb tenslotte behalve het Goede ook het Kwade geschapen. Vraag me niet waarom. Houd het er maar op dat dat een van die steekjes is die Ik heb laten vallen. Ik ben nogal temperamentvol en een wereld bestaande uit niets anders dan het Goede zag Ik niet zitten. Dat leek Mij nogal saai. Wat zal Ik zeggen; Ik was jong en naïef. Zelfs een Opperwezen wordt in de loop der miljarden jaren ouder en wijzer.
Desalniettemin is Mijn uitgangspunt hierbij altijd geweest dat het Goede het Kwade uiteindelijk altijd zou overwinnen. Om die reden zal Ik bijvoorbeeld ook altijd sterker blijven dan de door Mij uit vuur geschapen Shaitan (Satan).
Grappig detail is dat Shaitan de laatste tijd heel vaak bij Mij komt klagen, omdat zijn Hel zo vol komt te zitten met al die gekken die doen alsof ze voor Mij al die hoofden hebben afgehakt. Nu kan Ik wel tegen Shaitan roepen “Wat kan Ik daaraan doen?” maar dat is vragen om problemen, aangezien ik zijn antwoord toch al ken: “Dan had je Mij maar niet moeten scheppen.” En eerlijk is eerlijk: daar heeft ie een punt.
 

Laf

Ondanks Mijn voornemen om Mij nooit met de Aardse zaken te bemoeien, vormen die walgelijke moorden in Parijs van gisteren voor Mij toch de druppel om voor één keer van dat voornemen af te stappen.
Meer dan ooit voel Ik Mij nu geroepen om eens en voor altijd duidelijk te maken dat als een of andere gefrustreerde moordenaar zich geroepen voelt om te moorden hij Mij er buiten moeten laten. Doe dat lekker uit naam van jezelf, maar verschuil je daarbij alstublieft niet laf achter Mij. Het maakt je verblijf in de Hel er straks alleen maar een stuk onaangenamer op en neem maar van Mij aan dat je dan zal gaan smeken of je hoofd er alsjeblieft afgehakt mag worden.
Mijn goede vriend Mohammed en Ik zitten ons ook al eeuwen te storen aan die verzonnen idioterie dat niemand Mohammed zou mogen afbeelden. Wie Mij weet aan te wijzen waar dat in de Koran staat, mag het Mij zeggen. En Ik kan het weten want Ik heb dat boek nota bene zelf via Djibrel aan Mohammed geopenbaard. Oké, het was misschien niet Mijn beste werk en het boek is zo langzamerhand wel toe aan een nieuwe verbeterde druk die voor gekken een stuk minder ruimte zal overlaten voor hun eigen bespottelijke interpretaties, maar dat terzijde.
 

Grappige cartoons

Jezus (geen vloek, want sorry maar wie die gast ook was, het was geen zoon van Mij), wat hebben Mohammed en Ik veel gelachen om die grappige cartoons in de Charlie Hebdo. We delen dezelfde ironische humor en zullen de omgebrachte cartoonisten daarom als geen ander gaan missen.
Dat deze mensen nu intussen bij ons hierboven zijn is leuk maar helaas natuurlijk dodelijk (excusez le mot) voor hun inspiratie en creativiteit. Cartoons schrijven in/over jullie wereld is één, maar in/over Mijn vredige, liefdevolle hemel is toch een heel ander verhaal. Wat dat betreft biedt de hel meer mogelijkheden.
 

Solidariteit

Beste Tonko, Ik heb gezegd wat Ik wilde zeggen en hoop dat je Mijn boodschap de wereld in brengt. Ga door met je leuke columns en onthoud dat je vanaf nu nooit meer Mijn bestaan in twijfel hoeft te trekken. Er is niets mis met de wil van de mens om te geloven en er is helemaal niets mis met de wil van de mens om in Mij te geloven! Uit solidariteit wil ik graag eindigen met de woorden:
 
Je suis Allah mais aussi Je suis Charlie!


Allah





Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 


zondag 4 januari 2015

169. Hoeveel ware vrienden heb ik eigenlijk?

Actualiteit - Liefde/Vriendschap

 




Komen en gaan

Tja, hoeveel ware vrienden heb ik nou eigenlijk? De vraag van filosoof Kamphuis zette me even aan het denken. Afgezien van de definitie die Aristoteles aan het begrip “ware vriendschap” gaf, heb ik zelf natuurlijk ook een beeld van hoe een ware vriend eruit ziet en aan welke voorwaarden hij in mijn ogen moet voldoen. Tijdens het opsteken van de handen ging ik in elk geval veilig mee met het meest gegeven antwoord binnen én buiten de zaal: één tot drie ware vrienden (wat dus gemiddeld blijkt te zijn).
Toch ben ik op dit punt enorm veranderd ten opzichte van vroeger. Daar waar ik vroeger lang over deze vraag zou hebben nagedacht en gefilosofeerd, doe ik dat niet meer. Door mijn eigen ervaringen aangevuld met wat ik om mij heen zie, ben ik tot de nuchtere conclusie gekomen dat relaties en vriendschappen meer op elkaar lijken dan ik altijd dacht. In die zin dat beide in het leven regelmatig komen en gaan (voor de een wat meer dan voor de ander).
Of je nu een relatie of een vriendschap hebt, je weet toch nooit zeker of je die over tien of twintig jaar nog steeds zult hebben. Het kan, maar het kan ook niet. Hoe “waar” een relatie of vriendschap ook lijkt en aanvoelt, krijgt niemand garanties in het leven. Mensen veranderen, belanden in andere fases in hun leven, krijgen andere behoeften etc. Dus als er al een ware vriend of partner bestaat, dan is het maar de vraag voor hoe lang dat zal zijn.
 

Persoonlijke zaken

Nee, uiteraard bestaat de perfecte vriend evenmin als de perfecte partner. Wie een partner of vriend vindt die aan al zijn voorwaarden voldoet, mag zich in zijn handen knijpen of - verstandiger - in zijn wang om te kijken of hij niet toevallig droomt.
Als ik naar de vrienden kijk die ik tot nu toe in mijn leven heb gehad, kan ik concluderen dat ik in elk geval met allemaal goed en open heb kunnen praten over persoonlijke zaken, wat voor mij toch voorwaarde nummer één van een goede vriendschap is. 


Humor

Alhoewel humor daarna op de tweede plaats komt, zie ik daar al meteen de eerste verschillen. Ondanks dat al mijn vrienden mijn droge, ironische, soms cynische humor wel (her)kenden - anders zou het sowieso niet hebben gewerkt - had de een toch meer mijn humor dan de ander. Maar omdat humor zo persoonlijk is, houd je dat toch altijd.
Mensen en humor deel ik trouwens altijd in tweeën in. Je hebt 1. De mensen die meer om anderen lachen dan dat ze anderen aan het lachen maken en 2. De mensen die meer anderen aan het lachen maken dan dat ze om anderen moeten lachen. Binnen vriendschappen kunnen beide categorieën vertegenwoordigd zijn, wat dan ook voor een mooi evenwicht kan zorgen.
Niet om op te scheppen maar gewoon omdat het waar is, hoor ik duidelijk tot de laatstgenoemde categorie en die rol neem ik binnen al mijn vriendschappen ook duidelijk in. Zelf ken ik helaas (te) weinig mensen waar ik ontzettend om kan lachen, al zal dat natuurlijk ook een hoop over mij en mijn blijkbaar selectieve gevoel voor humor zeggen.
En hoe ontzettend doodzonde ik dat ook vind, zijn de mensen waarom ik hard moet lachen gek genoeg vrijwel nooit vrouwen. Ik vind mannen gemiddeld gewoon grappiger dan vrouwen. Een vrouwelijke cabaretier waar ik enorm hard om kan lachen, ken ik bijvoorbeeld niet. De vraag waar dat precies aan ligt, is een interessante waar ik het antwoord nog niet op heb. Wel heb ik een paar vermoedens. Ik heb behoorlijk ironische, sarcastische, soms zelfs cynische en grove humor en mijn persoonlijke ervaring is dat vrouwen dat gemiddeld genomen minder waarderen of soms zelfs ("sorry") minder doorhebben. Wie een betere verklaring heeft (dat zal waarschijnlijk dan 
wel weer een man zijn): laat het alsjeblieft weten!
 

Filosofische gesprekken

Kijk ik bij mijn vrienden verder naar gemeenschappelijke hobby’s dan kan ik al definitief de conclusie trekken dat ik in mijn leven nog nooit iemand heb ontmoet die aan alle “voorwaarden” voldeed.
Zo houd ik zelf bijvoorbeeld enorm van filosofische gesprekken, maar filosofische mensen/vrienden liggen niet bepaald voor het oprapen. Laat staan een filosofische vrouw. Het lijkt warempel wel  alsof ik iets tegen vrouwen heb, maar dat is absoluut niet waar: ik zou er dolgraag op eentje verliefd willen worden...
Over spirituele vrouwen daarentegen struikel ik. Maar daarmee loop ik het risico bijvoorbeeld in discussie te gaan over de vraag of spiritualiteit wel samengaat met kwantumfysica (= wetenschap) of dat je het dan toch echt kwantummystiek (= geloof; net als spiritualiteit) moet noemen. Wat mij laatst op een datingsite overkwam met een spirituele vrouw, die zei ervan te houden om door een man te worden uitgedaagd. Iets wat je tegen mij geen twee keer hoeft te zeggen. Ik ben gek op (over en weer) uitdagen, prikkelen en (speels) provoceren! Helaas vond ze mijn uitdagende reactie blijkbaar toch iets teveel van het "goede", want ik heb nooit meer iets van haar gehoord. Tja, zeg dan alsjeblieft niet dat je graag wil worden uitgedaagd hè...
 

Kwetsbaarheid

Nee, waarom ik zowel in real life als in de digitale wereld noch de ideale vriend noch mijn ideale vrouw ben tegengekomen, is wel verklaarbaar. Overeenkomsten zag ik wel, maar zeker afgezet tegen mijn zeer (zelf) kritische en idealistische houding gewoon te weinig om te kunnen spreken van een perfecte match.
Wel heb ik in de loop der tijd iets gemeenschappelijks ontdekt bij een aantal mensen waarmee ik een klik voelde. Iets waarmee ik terugkom op de aanleiding om dit tweeluik over vriendschap te schrijven: de mededeling van de man uit mijn filosofiegroep dat zijn meeste vrienden mensen zijn die een beetje aan de rand van de maatschappij leven (zie deel 1: column 168).
Deze rode draad kan het best in één woord worden samengevat: kwetsbaarheid. Diverse mensen waarmee ik een klik vormde, bleken dermate kwetsbaar te zijn dat dit leidde tot bijvoorbeeld chronische lichamelijke en psychische klachten, depressies, burn-outs en (mede daardoor) afkeuringen voor werk.
 

Toeval

Ondanks dat ik als geen ander overtuigd ben dat toeval niet alleen bestaat maar ook heel veel voorkomt, is daar in dit geval minder sprake van. Ik wijk af, dus wijken veel van de mensen waar ik mee klik ook af, dus zijn zij en ik vanzelf ook kwetsbaarder dan gemiddelde mensen als het gaat om ons staande te houden in, en aan te passen aan onze maatschappij, dus leidt dit sneller tot psychische en fysieke problemen op het gebied van werk, vriendschappen en relaties, met alle vervelende gevolgen van dien. Een conclusie die een (slim) kind nog kan trekken. 
 

Opgenomen

Het meest opvallende voorbeeld hiervan draait om een lieve, gevoelige, slimme, belangstellende oud-collega van me waarmee ik jaren geleden op het werk heel goed klikte.
Vrijwel nooit heb ik een bijzondere klik gevoeld met een collega, maar met haar had ik dat dus wel. Wat nog eens versterkt werd door haar zeer aantrekkelijke en voor mij zeer vleiende eigenschap om veel complimenten te geven. Althans dat deed ze bij mij. In de twee jaar dat ik haar meemaakte, ontving ik meer complimenten dan ik in de rest van mijn leven bij elkaar heb gehad volgens mij. Nou zou je kunnen denken dat zij dat wellicht bij iedereen deed vanuit een soort pleasegedrag, maar dat gevoel had ik in elk geval niet (tenzij ze echt een uitmuntende actrice was...).
Zij zag eigenschappen in me waarvan ik diep in mijn hart ook wel vond dat ik ze in me had, maar die (zeker op het werk) niemand om me heen zag of in elk geval nooit hardop tegen mij uitsprak. Zo was zij bijvoorbeeld de eerste in mijn leven die mij “gepassioneerd” noemde, wat ik prachtig en geruststellend vond om te horen. Want ja, er zit zeker passie in me. Alleen zat ik helaas nooit op de juiste (werk)plek om die te kunnen etaleren. Belangrijkste oorzaak: een stuitend gebrek aan zelfkennis.   
Na mijn ontslag verwaterde het contact met deze vrouw echter toch. Waar ik in de fase van werkloosheid in crisistijd terechtkwam, kreeg zij kort na elkaar twee kinderen en leek zij in de fantastische huisje-boompje-beestje fase te zijn aanbeland.    
Afgelopen jaar kreeg ik echter toevallig van een andere ex-collega te horen dat het helemaal niet goed met haar ging en dat ze al een tijd niet meer werkte. Toen ik contact met haar opnam, bevestigde ze dat kort in een mail en vertelde ze me zelfs dat ze voor vijf maanden zou worden opgenomen in verband met psychische en lichamelijke klachten.
Aan de ene kant was ik onaangenaam verrast, maar aan de andere kant verbaasde het me ook weer niet. Dat iemand waarmee ik een goede klik voelde opeens lange tijd opgenomen werd, paste ook wel weer in het patroon dat mij al eerder was opgevallen. Behalve lief was ze ook vreselijk eerlijk en integer en dan ben je in de wereld van werk en bedrijven automatisch kwetsbaar voor oneerlijke, politieke spelletjes. Ik kan erover meepraten.  
Inmiddels zijn die vijf maanden voorbij en zou ze alweer “vrij” moeten zijn, maar ze heeft nog niet op mijn mails gereageerd. Dus ik kan alleen maar hopen dat de behandeling heeft geholpen en het beter met haar gaat.
 

Kluizenaars en zwervers

Ja, de nieuwe man uit mijn filosofiegroep begrijp ik heel goed. Ik acht het bijvoorbeeld ook niet ondenkbaar dat ik met zonderlinge “Showroom-achtige” (voor wie dit televisieprogramma nog kent: je bent oud!) kluizenaars en zwervers wel eens de meest boeiende gesprekken zou kunnen blijken te voeren, eenvoudigweg omdat ik met hen veel meer overeenkomsten vertoon dan met een gemiddelde bankmanager of advocaat.
Misschien moet ik ook maar eens een gesprek aangaan met die vriendelijke Afrikaanse man die altijd bij de Albert Heijn daklozenkranten verkoopt en die ik af en toe vijftig eurocent geef. Als hij tot de meest interessante mensen in en rondom die supermarkt blijkt te horen, kijk ik niet gek op. 

En als ik over een aantal jaren zijn plek overneem trouwens ook niet... 




Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie. 




woensdag 31 december 2014

168. Alleen maar interesse in ware vrienden (1/2)

Privé - Liefde/Vriendschap - Filosofie - Aristoteles 






Rand van de maatschappij

Een nieuwe man in mijn filosofiegroep vertelde me dat de meeste vrienden van hem mensen zijn die ergens aan de rand van de maatschappij leven. Ze hebben geen cent te makken, maar je verveelt je geen moment met ze aangezien ze met de meest interessante verhalen en onderwerpen komen, aldus deze man.
Ik herken hier wel wat in. Afgezien nog van mijn gevoel dat ik qua profiel niet zou misstaan in zijn vriendenkring. Daarbij voor het gemak er maar even van uitgaande dat ik ook iemand ben die wel wat interessants te melden heeft …
 

Brainwash-festival

Niet dat al mijn vrienden aan de rand van de samenleving leven. Al klinkt dat alsof ik zoveel vrienden heb, wat niet het geval is. En misschien heb ik er zelfs nog minder dan ik besef. Een gedachte die in me opkwam eind oktober tijdens het filosofisch Brainwash-festival in Amsterdam. Waarvoor ik overigens wel door een vriend (!) was uitgenodigd.
 

Filosoof Lammert Kamphuis

Eén van de lezingen die we bijwoonden, was die over vriendschap van filosoof en theoloog Lammert Kamphuis: “How to be a better friend”. Kamphuis vertelde onder andere dat de Griekse filosoof Aristoteles al onderscheid maakte tussen drie soorten vriendschappen: je hebt vrienden die een nut hebben (je kunt ze ergens voor gebruiken), vrienden waarmee je plezier maakt en hobby’s deelt en tenslotte heb je nog je ware vrienden. Zowel voor Aristoteles als voor zijn leraar Plato was vriendschap gebaseerd op de ontdekking van gelijkheid (soort zoekt soort).
 

Ware vriendschap   

Verschil tussen de eerste twee en de laatste is dat vriendschappen die zijn gebaseerd op een nut of een gezamenlijke hobby zullen verdwijnen op het moment dat het nut of de gezamenlijke hobby er niet meer is. Echte goede vriendschappen daarentegen blijven (langer) bestaan, omdat ze niet van dat soort factoren afhankelijk zijn. Bij ware vriendschap draait het er vooral om dat je elkaar mooi vindt als persoon. Dat je kunt genieten van elkaars karakter en dat je elkaar volledig  vertrouwt.
Kijkend naar deze indeling lijkt het me geen gewaagde veronderstelling ervan uit te gaan dat deze ook in meer of mindere mate geldt voor relaties. Mijn ex-vrouw en ik kenden elkaar bijvoorbeeld van tennis, maar nadat zij daarmee door een chronische rugblessure was gestopt en we niet meer samen tennisten, begon ik mij langzaam maar zeker af te vragen wat ons behalve de kinderen (klein detail) nog bond.
 

Verminderen van eenzaamheid 

Ondanks dat de lezing meer feitjes rondom vriendschap op een rijtje zette dan dat het iets nieuws bracht, bevestigde het wel iets wat ik eigenlijk al vermoedde. Namelijk dat ik iemand ben die alleen maar interesse heeft in ware vrienden. Zo zeg ik ook altijd dat ik niet aan kennissen doe en dat klopt helemaal.
De conclusie dat ik dan dus alleen ware vrienden zal hebben, lijkt vanzelfsprekend maar is dat niet. Want ik kan bepaalde mensen om me heen dan wel beschouwen als ware vrienden, maar dat wil nog niet zeggen dat dat per definitie vice versa ook zo werkt. Het kan best zo zijn dat die vrienden mij andersom juist meer zien als een vriend met een bepaald nut of met een gezamenlijke hobby.
Miljonairs die op een dag hun geld kwijtraakten, begrijpen wel wat ik bedoel. Al kan een nut uiteraard ook van niet-materialistische aard zijn. Iemand kan jou bijvoorbeeld als vriend hebben vanwege zijn behoefte aan gezelschap en het verminderen van eenzaamheid, maar er toch geen problemen mee hebben om jou “in te ruilen” op een moment dat hij een nieuwe partner vindt die ook en zelfs beter in deze behoefte voorziet. Ongetwijfeld zullen er meer mensen zijn die dit in meer of mindere mate herkennen en wel eens meegemaakt hebben (zie ook column 147).
 

Oudejaarsloterij winnen

Gelukkig trouwens maar dat ik geen miljonair ben, want dan zou de naïviteit die ik op dit gebied in me heb pas echt op de proef worden gesteld. Al hoef je in dat geval natuurlijk nergens bang voor te zijn zo lang als je maar miljonair blijft. En mocht ik tegen alle verwachting in straks dan toch opeens miljonair worden door bijvoorbeeld de Oudejaarsloterij te winnen, dan rest nog de interessante vraag in hoeverre ik dan nog moeilijk ga doen over al die vele vrienden en mooie jonge vrouwen die vanuit het niets plotseling in mijn leven verschijnen. Principieel en romantisch als ik ben, weet ik het antwoord hierop overigens al...
Ware vrienden, hoeveel daarvan hebben wij er eigenlijk? Hoe eenvoudig de vraag ook lijkt, moest ik er toch heel goed over nadenken toen filosoof Kamphuis het publiek deze vraag voorlegde. Want wat beschouw ik zelf als een ware vriend?
 





Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
Aristoteles (3x)
 

dinsdag 30 december 2014

167. Nu moet het godverdomme gezellig zijn!

Privé - Familie/Gezin - Religie/Geloof

 




Eenzame Kerst

Met Kerst was ik alleen. Niet om zielig te doen alsof het een eenzame Kerst was, want ik kan prima alleen zijn en ik heb ook al best veel kerstdagen in mijn leven gewoon alleen doorgebracht. Bovendien wil ik benadrukken dat ik met “alleen” bedoel zonder andere mensen, want ik heb wel gezelschap van vier lieve katten.
Interessante vraag hierbij is en blijft wel of ik nou van nature zo goed alleen kan zijn of dat ik dat in de loop der tijd mezelf gewoon heb aangeleerd doordat ik vanaf mijn puberteit nergens echt bij hoorde en ik me anders voelde dan de rest.
Ik hoop het eerste, maar het zou best eens zo kunnen zijn dat gewenning aan alleen zijn gevolgd door dit vervolgens te leren waarderen, hierbij een grotere rol heeft gespeeld dan ik mezelf een tijd lang heb voorgehouden. Zo was ik bijvoorbeeld voor mijn achtste jaar een sociaal actief, druk en aanwezig en grappig (al waren daar de meningen over verdeeld) ventje in de klas en bepaald niet de einzelgänger die ik later werd. En ik blijf ervan overtuigd dat hoe iemand als klein kind was, normaal gesproken weergeeft hoe die persoon in de kern is.
 

Beroemde voetballer van Chelsea

De Kerstdagen vielen voor mijn kinderen in de week dat ze bij hun moeder waren en ik heb dat dit keer zo gelaten zonder één van deze dagen te “claimen”. Ik vond het prima zo. Net als de sympathieke Scrooge voordat ie veranderde in een irritante slijmbal, heb ik niets met Kerst. Geef mij dan maar liever Sinterklaas. De Kerstman heeft geen Zwarte Piet en wat is nou een feest met een witte baas zonder een volgzame knecht zeg ik altijd maar (omdat ik de Zwarte Piet-discussie nu al mis, rakel ik ‘m - provocerend als ik ben - graag weer een beetje op...). 
Als ik aan Kerst denk, denk ik aan grote (schoon) families met opa’s, oma’s, ooms en tantes, kinderen en kleinkinderen die met elkaar rond de kerstboom cadeautjes uitpakken om zich vervolgens vol enthousiasme op de kalkoen te storten.
Of ik denk aan Jezus Christus. Overigens niet omdat ik net als veel Engelse kindertjes denk dat dat een beroemde voetballer van Chelsea is die op Tweede Kerstdag een competitiewedstrijd speelt. Of dat ik denk dat met Kerst de herders kindeke Jezus hebben gevonden via Google Maps. Maar meer gewoon omdat ik zelfs als niet-gelovige nog wel het besef heb dat het feest draait om de viering van de geboorte van Jezus. Ondanks dat overigens vaststaat dat die geboorte noch op 25, noch op 26 december, noch in het jaar nul heeft plaatsgevonden. Daarbij er uiteraard voor het gemak maar van uitgaande dat Jezus echt heeft bestaan. Maar dat is een andere, overigens zeer interessante discussie.
 

Onder de pannen zijn

Van mijn schoonfamilie ben ik gelukkig al jaren verlost. Dus uit beleefdheid lachen om platvloerse grapjes van mijn zwager die zichzelf zo ontzettend grappig vindt, hoeft niet meer. Net als dat ik mij niet langer meer hoef te storen aan een stuitend gebrek aan oprechte belangstelling in elkaar. Met mijn vier katten kom ik daarin niets te kort, en zeker niet rond etenstijd.
Mijn eigen directe familie bestaat afgezien van mijn drie kinderen uit welgeteld één moeder van 84 en één alleenstaande oudere zus van 51. Waarvan voor de één bezoek in het algemeen, laat staan kerstbezoek in het bijzonder, (te) veel stress oproept waardoor getracht wordt eraan te ontsnappen door deelname aan seniorenreizen of door zich gewoon ziek af te melden. En waarvan de ander tijdens speciale feestdagen ruim op tijd zorgt ergens bij vrienden onder de pannen te zijn, omdat ”tenslotte niemand dan alleen wil zijn”.
 

Geforceerde sfeer

Afgezien van het feit dat het niet onlogisch is om als niet-gelovige, niet-rijke, gescheiden, recalcitrante vegetariër (ook dat nog) met een piepkleine familie niet veel met Kerstmis te hebben, is er nog iets wat mij eraan tegenstaat. Iets wat tevens de reden vormt waarom vakantie tot op de dag van vandaag voor mij nog steeds een negatieve associatie heeft. Dat is namelijk die stressvolle, geforceerde sfeer die eromheen kan hangen van: en nu moet het godverdomme gezellig zijn!
Natuurlijk heeft dit in de eerste plaats te maken met iets persoonlijks uit mijn privéleven. Al besef ik daarbij dat het algemeen bekend is dat zowel Kerst als vakanties stress oproepen. Zo blijken er tijdens de Kerstdagen bijvoorbeeld een hoop (familie) ruzies plaats te vinden en worden de nodige relaties op de proef gesteld of uitgemaakt. Wat weer de nodige beleefdheidsbezoekjes aan schoonfamilie en geld voor cadeaus scheelt.
 

Flamberen 

Zelf heb ik niet zoveel specifieke herinneringen aan Kerst, maar staat mij nog wel die keer bij dat mijn vader een keer driftig werd omdat tijdens het kerstdessert de kersen maar niet wilden flamberen zoals ze zouden moeten. Die dingen moesten en zouden in de fik vliegen, al was het het laatste wat hij in zijn leven deed.
Nee, gevoel voor dramatiek kon mijn vader niet ontzegd worden. Op vakanties hadden mijn vader en moeder ook steevast minimaal één fikse ruzie waarbij mijn vader al driftig op zijn hand bijtend meer dan eens iets pleegde te roepen in de richting van: “En nu zullen we het godverdomme gezellig hebben, want het is vakantie.” Nee, gelovig opgevoed zijn mijn zus en ik niet. Al verslond ik dankzij mijn moeder met een Protestantse achtergrond wel al die prachtige verhalen uit de kinderbijbel.
 

Vervelende flashbacks

Niet dat dit alles nou zulke enorme traumatische wonden bij mij heeft achtergelaten. Of dat mijn vader nou zo’n slechte man was (hij was juist behoorlijk zachtaardig). Maar het heeft uiteraard wel mijn beeld van Kerst en vakanties beïnvloed. Zo besloot ik op mijn twaalfde niet meer mee te gaan op vakantie en duurde het vervolgens nog vijftien jaar eer ik weer een keer op vakantie ging, maar dan zonder mijn ouders uiteraard. En toen vele jaren later mijn aanstaande ex-vrouw en ik op een dag tijdens de zomervakantie op een natte camping in Zwitserland ordinair ruzie aan het maken waren, schoten er diverse vervelende flashbacks door mijn hoofd en voelde ik mij richting de kinderen (terecht) behoorlijk schuldig. Belangrijkste verschil met mijn ouders: wij waren wél (?) zo verstandig om uiteindelijk te scheiden

Kattenbrokjes gedrenkt in kerstlikeur

Wat Kerst betreft had ik het dit jaar in elk geval reuze gezellig. De kattenbrokjes gedrenkt in kerstlikeur flambeerden al bij mijn eerste poging prachtig en smaakten zo te zien hemels. Alsof er een kerstengeltje over de tongetjes van mijn katten piesten. Mijn vervloeking dat we het dit jaar met Kerst godverdomme gezellig moeten hebben, kon gelukkig achterwege blijven.




 

Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
Foto: Tonko
 

woensdag 24 december 2014

166. If you don't take it, you won't make it (2/2)

Actualiteit en privé - Sport - Doping 

 




Beroemde Nederlandse topatleet

Een Jaar of zes geleden had ik een beroemde Nederlandse topatleet uit eind jaren zeventig in de spreekkamer van de woningcorporatie waar ik toen werkte. Nieuwsgierig als ik ben greep ik de gelegenheid aan om hem wat vragen over zijn carrière te stellen en uiteindelijk durfde ik het ook aan om het onderwerp doping in de sport te berde te brengen.
Zonder expliciet in te gaan op zijn eigen rol hierin (later las ik dat hij ooit door een openhartige ex-collega-atleet was beschuldigd van het gebruik van anabole steroïden) maakte hij mij duidelijk dat doping in de sport veel voorkomt en veel meer dan men denkt. En ook al in zijn tijd, afgezien nog van de bekende dopingpraktijken achter het IJzeren Gordijn.

Jeugdheld Eric Heiden

Gefascineerd nam ik wat sporten en namen met hem door, waarbij hij verrassend aangaf ervan overtuigd te zijn dat voormalige topschaatsers als bijvoorbeeld Eric Heiden en Johan Olav Koss doping hadden gebruikt. Dat zij beiden uit een artsenfamilie kwamen, zei hem genoeg. Ondanks dat het allemaal slechts speculatie betrof, vond ik het toch zeer boeiend zoiets uit de mond van een ex-topsporter te horen.
Bij Koss kan ik me er nog wel iets bij voorstellen, al is het alleen al vanwege het feit dat er rondom hem en andere Noren al langer geruchten over (bloed)doping de ronde gaan. Maar dat mijn jeugdheld Eric Heiden doping zou hebben gebruikt?
Wat gelukkig voor mij en vooral voor Heiden zelf spreekt, is dat Heiden vijftien jaar voor Koss schaatste in een tijd dat het nog een echte amateursport was. Bovendien was algemeen bekend dat Heiden qua professionaliteit en trainingsuren zijn tijd ver vooruit was. Zo waren de concurrenten die een keer met hem hadden mogen meetrainen tot de conclusie gekomen dat hun eigen training gelijk stond aan de warming-up van Heiden.
 

De mens wil geloven 

Speculatie of niet, het gesprek bevestigde iets dat ik al langer vermoedde namelijk dat ik het dopinggebruik in de sport, ondanks mijn voornemen om daarin niet naïef te zijn, waarschijnlijk nog steeds enorm liep te onderschatten. Trap ik dan zelf als sportliefhebber regelmatig in de valkuil waarvoor ik in mijn columns zo vaak waarschuw: de mens wil geloven?
De mens wil geloven dat we bij de grote sportevenementen allemaal geweldige sporters zien die enkel door hard en eerlijk werk de lof en beloningen krijgen die ze verdienen.
 

Illusie van een integer sportland

Welke Nederlander is nou bereid te geloven dat onze sympathieke sporthelden van vroeger en nu zoals bijvoorbeeld schaatsers Marianne Timmer, Gianni Romme en Sven Kramer, zwemmers Inge de Bruijn, Pieter van den Hoogenband en Ranomi Kromowidjojo of atleten Ellen van Langen en Dafne Schippers hun successen wellicht mede te danken hebben aan doping?
Nee, ik wil dat ook niet geloven. Terwijl ik er aan de andere kant nota bene van overtuigd ben dat zelfs in schaatsen (waar minder geld in omgaat), maar honderd procent zeker in zwemmen en atletiek doping wordt gebruikt.
Dat is toch eigenlijk vreemd? Dus ik zou bijvoorbeeld wel bereid zijn de geruchten rondom het dopinggebruik van de Australische zwemheld Ian Thorpe te geloven. Maar dat “onze” Pieter, die als grote concurrent Thorpe een paar gevoelige nederlagen bezorgde tijdens de Olympische Spelen, misschien ook wel eens uit het verkeerde potje heeft gesnoept, zou er dan weer niet bij me in gaan?
Terecht, of ben ik op dit punt gewoon een van de vele naïeve, koppige Hollanders die de illusie van een integer sportland in stand wil houden? Ik vrees het laatste, aangezien het me inmiddels wel duidelijk is geworden dat hoe meer je je in het onderwerp doping gaat verdiepen, hoe meer dingen en personen je rondom de sporters tegenkomt die je aan het denken zetten (verdachte blessures, verdachte begeleiders/sportartsen etc.).
 

Vuilste finale ooit

Behalve dat kennis macht is, vermindert het ook naïviteit. Neem als voorbeeld de finale honderd meter mannen tijdens de Olympische Spelen in Seoul in 1988. Weer was ik een illusie armer toen eenmaal bekend werd dat tijdens deze “vuilste finale ooit” zondebok Ben Johnson - om maar een understatement te gebruiken - “bepaald niet de enige” valsspeler bleek te zijn van de acht finalisten: “If You Don’t Take It, You Won’t Make It.”
Carl Lewis, als nummer twee van deze race na de diskwalificatie van Johnson uitgeroepen tot winnaar (een van zijn negen gouden Olympische medailles), had normaal gesproken niet eens mogen meedoen aan deze Spelen. Voorafgaande aan de Spelen bleek hij al tijdens de Olympic Trials in de Verenigde Staten op doping te zijn betrapt, maar dat was subtiel door de Amerikaanse Atletiekbond in de doofpot gestopt. Lewis moest hoe dan ook winnen en zo geschiedde. Behalve als winnaar van vele wedstrijden kan ik me Carl Lewis vooral nog herinneren als die sporter die altijd zo fel van leer trok tegen van doping verdachte concurrenten. Over hoe hypocriet een mens kan zijn…
 

Nummer acht als enige dopingvrij?

Het lastigste aan doping is en blijft dat je nooit zult weten wie je kunt vertrouwen en wie niet. En je zult van veel sportwedstrijden dus nooit weten wie de meest terechte winnaar was. Was dat gewoon de nummer één omdat ze allemaal schoon waren? Of was het gewoon de nummer één omdat ze allemaal doping gebruikten? Of was het misschien toch die onbekende nummer acht omdat die als enige dopingvrij bleek te zijn?
Zelfs als alle deelnemers nooit “positief” zijn getest op doping weet je het niet. Dat zegt helemaal niets. Theoretisch kunnen het allemaal Lance Armtsrongetjes of Carl Lewisjes zijn, met of zonder extra bescherming van een corrupte sportbond achter de hand. Voor het leven in de sportwereld geldt hetzelfde als voor het leven erbuiten: het is niet rechtvaardig. 
 

Speculaties

Om een column vol speculaties in stijl af te ronden: ik kijk in elk geval niet gek op als ik later te horen krijg dat topsporters als bijvoorbeeld Usain Bolt (atletiek), Michael Phelps (zwemmen), Cristiano Ronaldo (voetbal) of Rafael Nadal (tennis) wat extra pillen tijdens hun carrière blijken te hebben geslikt.
En hoe zit het dan met de Nederlanders? Met onze zwemmers en schaatsers? Wie het weet, mag het zeggen. Maar als zou blijken dat al onze toppers ook doping gebruik(t)en, kijk ik niet (meer) gek op. Hoe graag ik ook wil geloven. Dat dat niet zo is.
 




Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
De vuilste finale ooit: 100 meter Seoul 1988, Ben Johnson (159) "wint" voor Carl Lewis (102).
 

maandag 22 december 2014

165. Hoe zit het met de Nederlanders (1/2)?

Actualiteit - Sport - Doping

 




Yeh, right

Doping, ik heb er al een tijd niet over geschreven maar de actualiteit van de afgelopen weken schreeuwt om een nieuwe column.
Eerst zag ik van de week de veelbesproken Duitse ARD-documentaire over structureel dopinggebruik in Rusland: “Geheimsache Doping, wie Rusland seine Sieger macht”. Daarna kwam het nieuws dat de Kazakse wielerploeg Astana van de UCI (internationale wielerbond) toch zijn licentie mag behouden voor de World Tour. Dit ondanks het feit dat er van de ploeg van Tourwinnaar Vincenzo Nibali afgelopen halfjaar vijf wielrenners op doping zijn betrapt en er concrete aanwijzingen zijn dat hun manager en voormalig dopingzondaar Aleksander Vinokoerov nauwe banden heeft met de bekende Italiaanse dopingarts Michele Ferrari.
Het beleid van UCI zou niet toestaan een gehele ploeg te straffen voor de fouten van individuele renners. Wat een geweldige (drog) reden! Dus als in een Tourploeg van negen man vijf renners zouden worden betrapt, zou de ploeg niet worden gestraft omdat het zou gaan om individuele renners. En als ze alle negen worden betrapt, worden ze dan ook beschouwd als negen individuele renners?
Ja hoor, wielrennen is inderdaad een typisch individuele sport. Als je als ploegleider even pech hebt, kan het zomaar gebeuren dat al jouw (individuele) wielrenners onafhankelijk van elkaar en zonder dat jij het weet heel toevallig hebben besloten om doping te gebruiken. Arme Nibali ook. Die besefte natuurlijk helemaal niet dat hij zoveel beter was dan zijn ploegmaten dat deze zich gedwongen voelden om naar de pillen te grijpen om het tempo van hun klopman bij te houden. Yeah, right.
 

De Sep Blatter-methode

Natuurlijk kan ik het nu gaan hebben over mijn vermoeden dat de UCI net zo corrupt is als de grote sportbonden in Rusland of als de FIFA. Maar dat vind ik persoonlijk een inkoppertje.
Zo laat de Duitse documentaire zien dat doping in alle lagen van de Russische samenleving in stand wordt gehouden, tot aan de anti-dopingbureaus (!) en de hoogste overheid toe (Poetin vermoed ik zomaar; over inkoppertjes gesproken). Wie iets voor elkaar wil krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van het verdoezelen van een "positieve" dopingtest, moet vooral veel geld meenemen en dan komt alles goed. De Sep Blatter-methode zeg maar. 
 

Niet naïef zijn

Wat doping betreft, probeer ik niet naïef te zijn. Ook al ben ik best bereid te geloven dat het dopinggebruik na de val van het IJzeren Gordijn en de ontmaskering van Lance Armstrong is verminderd, dan nog heb ik geen moment gedacht dat dit het begin van het einde van doping zou betekenen. Zo lang als de mens liegt en bedriegt en zo lang als er veel (geld) op het spel staat, zal doping blijven bestaan. Het is net als met stelen: je kunt iets nog zo goed beveiligen als je wilt, het zal dieven alleen maar uitdagen om zo innovatief te zijn dat ze toch een stap voor kunnen blijven.
 

Hoe zit het met de Nederlanders?

Veel interessanter rondom de kwestie doping vind ik de vraag: hoe zit het met de Nederlanders? Volgens mij ben ik niet de enige die gek genoeg de neiging heeft om te denken dat “onze” sporters daar niet zo aan meedoen. Maar tegelijk realiseer ik me dat ik hierin waarschijnlijk wél enorm naïef aan het doen ben.
Oké, dat ook veel bekende Nederlandse wielrenners tijdens hun carrière gewoon doping hebben gebruikt, is algemeen bekend. Maar zelfs hier betrap ik mezelf erop dat ik Bauke Mollema en Laurens ten Dam geloof als ze zeggen dat de huidige Nederlandse wielergeneratie van het post-Armstrong tijdperk schoon wil rondfietsen. Terwijl dat toch heel vreemd is als je bedenkt dat ik voor de rest geen seconde geloof dat het hele wielerpeloton nu opeens honderd procent dopingvrij zou zijn.
 

Verborgen nationalisme

Zit er dan soms toch iets van verborgen nationalisme in me dat ik zo graag wil geloven dat wij Nederlanders te braaf, eerlijk en nuchter zijn om mee te doen aan vals spelen? Of lopen we gewoon achter?
Bij wielrennen kan ik mezelf nog wijsmaken dat doping net het verschil maakt tussen de subtop waartoe de Nederlandse renners behoren en de absolute wereldtop die Tour de Frances wint. Maar als ik er vanuit zou gaan dat je met een grote sport als wielrennen alleen met doping de absolute wereldtop zou kunnen behalen, hoe zit het dan bijvoorbeeld met “onze” zwemsters of schaatsers? Waarom behoren "wij" daar wel tot de absolute wereldtop? Gewoon omdat dat schone sporten zijn en daar niemand doping gebruikt? Of omdat het internationaal (financieel) te onbelangrijke sporten zijn om doping voor te gebruiken?
 

Feit: doping kan prestatiebevorderend werken

Voordat ik me waag aan antwoorden, is het misschien handiger om te beginnen met wat feiten over doping.
Eerste feit is dat doping kan prestatiebevorderend werken, al zal het voor de ene sport meer zin hebben om te gebruiken dan voor de andere. Hoe meer het in een sport draait om zaken als bijvoorbeeld techniek en intelligentie (veelal nature-factoren: aangeboren gave/talent) hoe minder zin doping zal hebben. Daartegenover staat dat in sporten waar (de combinatie van) uithoudingsvermogen, kracht en herstelvermogen ten opzichte van de techniek en intelligentie relatief wel een grote(re) rol spelen, doping de prestaties aanzienlijk kan verbeteren. Ik noem hierbij bijvoorbeeld sporten als atletiek, wielrennen, zwemmen, schaatsen en langlaufen.
Kijken we naar intelligentie en beschouwen we schaken als een sport dan kun je gerust stellen dat je als schaker doping kunt slikken wat je wilt, maar dat je daarmee niet slimmer zult worden in het beoordelen van de stelling op het bord. Wel is er een nuance: je kunt als schaker wel doping slikken die je helpt om je concentratie te verbeteren wat je schaakspel ten goede kan komen.
Kijken we naar techniek dan kun je gerust aannemen dat een matige proftennisser met doping nog geen Roger Federer zal worden. Maar ook hier geldt een zeer belangrijke nuance. De professionele sportwereld heeft met dank aan de grotere rol van de commercie (lees: geld) de laatste decennia een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Hierdoor is in veel sporten de rol van kracht, uithoudingsvermogen en herstelvermogen veel groter geworden dan vroeger.
Behalve bij tennis geldt dat bijvoorbeeld ook voor een sport als voetbal. Waar ook steeds meer wedstrijden lijken te worden beslist op fitheid, iets wat door doping kan worden verbeterd (concreet voorbeeld: het gebruik van EPO door Juventus in Champions League finale in 1996 tegen Ajax).
Ondanks dat het pure speculatie is, kun je je binnen het tennis ook wel je vraagtekens zetten bij de enorm toegenomen kracht binnen het vrouwentennis van de afgelopen decennia of bij de extreem toegenomen fitheid in het tennis in het algemeen. Allemaal een kwestie van gewoon meer trainen of is dat een naïeve gedachte? Wie op dit onderwerp gaat googelen, komt in elk geval voorbeelden tegen die je toch aan het denken zetten.
 

Feit: nooit betrapt ≠ nooit gebruikt

Tweede belangrijke feit is dat als iemand nooit is betrapt tijdens een dopingcontrole dat nog niet wil zeggen dat hij/zij nooit doping heeft gebruikt.
Nooit betrapt ≠ nooit gebruikt. Het wil alleen maar zeggen dat op het controlemoment geen doping in het lichaam is aangetroffen. Zo lang er niet (regelmatig) onaangekondigde dopingtests plaatsvinden, kan iemand tussen de wedstrijden door gemakkelijk doping gebruiken en zorgen dat deze is verdwenen op de dag van de wedstrijd/controle. Kijk maar naar hoe vaak Lance Armstrong is getest tijdens zijn wielercarrière zonder “positief” resultaat.
 

Feit: kans op doping is het grootst waar belangen het grootst zijn

Het derde punt dat ik als feit durf te presenteren, is dat daar waar de belangen het grootst zijn, de kans op bedrog het grootst is. Simpel gezegd: de kans dat iemand bij een regionaal zwemkampioenschap doping gebruikt, is kleiner dan bij de Olympische Spelen. Net als dat de kans dat in een sport als tennis waarin miljoenen worden verdiend, de kans op dopinggebruik groter zal zijn dan in een amateursport als korfbal. 
 

Verborgen motortje

Deze feiten bekijkend, durf ik mijn hand ervoor in het vuur te steken dat ook in sporten als zwemmen en schaatsen doping wordt gebruikt. Met doping ga je harder zwemmen en schaatsen, dus kun je er gif op innemen dat er onder de topsporters mensen zitten die het het risico waard vinden om iets illegaals te pakken waardoor ze net wat harder gaan en de kans op goud groter wordt.
Ondanks dat het als feitenfreak absoluut niet mijn ding is om bij gebrek aan bewijzen te speculeren, beschouw ik het inschatten van de kans op dopinggebruik binnen bepaalde sporten als een kwestie van logisch nadenken over hoe de (ambitieuze) mens in elkaar steekt.
Of ik moet mij vreselijk vergissen en blijken topsporters wel degelijk anders te zijn dan de gemiddelde mens in die zin dat zij wél allemaal honderd procent integer handelen en een schoon geweten hebben. Ik moet daarbij denken aan Michael Boogerd die afgelopen jaar in DWDD een opvallende reactie had op de geruchten dat er in het wielerpeloton renners zouden rondfietsen met een verborgen motortje in hun fiets. Boogerd bekende heel eerlijk dat als zoiets hem was aangeboden tijdens zijn carrière hij er serieus over zou hebben nagedacht om het te gaan toepassen.

Over hoe ver een topsporter bereid is te gaan om te winnen...





 

Tonko

 

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
Foto's: Tonko
 

dinsdag 9 december 2014

164. Belangstelling tonen verwarren met bemoeizucht

Privé - Liefde/Vriendschap - Communiceren



Vriendinnetjes scoren

Mijn zoons van zestien en veertien jaar hebben allebei een vriendin. Gelukkig zijn ze daar vroeg mee in tegenstelling tot hun vader die daar heel laat mee was. Niet dat ik vind dat de leeftijd waarop je je eerste vriendinnetje(s) krijgt iets zou moeten uitmaken, maar dat doet het toch wel denk ik. Het maakt tenslotte nogal verschil in hoe (zeker) je in het leven staat of je behoort tot de grote groep van gemiddelde puberknullen die meegaan met de flow en die regelmatig met hun vrienden uitgaan en vriendinnetjes “scoren” of dat je behoort tot die kleine groep van nerdy pubers die dit alles niet meemaken omdat ze anders zijn en geen aansluiting vinden. 

Ondervragen

Op een dag was het moment daar dat mijn zoons hun vriendinnetje aan mij gingen voorstellen en in beide gevallen was het betreffende meisje al gewaarschuwd dat ik haar helemaal zou gaan ondervragen. Waarbij ik dan het gesprek met het zenuwachtige meisje begon met het richten van een felle lamp op haar, gevolgd door de mededeling dat ze goed moest nadenken voordat ze antwoordde omdat alles wat ze zei tegen haar gebruikt kon worden.
Een prachtige aanpak, ware het niet dat ik ‘m niet durfde te hanteren omdat ik er te aardig voor ben. Daarvoor in de plaats beperkte ik me maar tot de mededeling dat ze vast te horen had gekregen dat ik haar zou gaan ondervragen, maar dat dat berustte op een groot misverstand omdat zelfs mijn bloedeigen zoons niet begrijpen dat dat belangstelling tonen heet.

Vragensteller

Behalve dat ik behoorlijk kan babbelen als ik me op mijn gemak voel, ben ik ook een vragensteller. Simpelweg omdat ik veel dingen wil weten. Noem me nieuwsgierig, belangstellend of irritant, feit is dat ik zo ben. Hoe gewoon dit ook mag klinken, ben ik er in mijn leven inmiddels achtergekomen dat dat helemaal niet zo gewoon is. Verreweg de meeste mensen op deze aardbol behoren niet tot de categorie “vragenstellers” en zijn niet zo nieuwsgierig en belangstellend ingesteld.
Als trage laatbloeier begon ik dit patroon pas rond mijn veertigste te ontdekken. De eerste echte eyeopener was voor mij het moment waarop ik aan het eind van mijn huwelijk erachter kwam dat mijn vrouw en ik een essentieel andere kijk op communiceren hadden.
 

Pijnlijke stiltes

Waar voor mij de basis van een goede communicatie draait om het wederzijds tonen van belangstelling in elkaar door het stellen van vragen, vond zij dat maar onzin. “Als mensen iets willen vertellen, vertellen ze het wel. Daarvoor hoef je geen vragen te stellen.”, was haar visie. Wat meteen veel pijnlijke stiltes tussen ons verklaarde. Dan was ik bijvoorbeeld ergens geweest en wachtte ik bij thuiskomst op belangstellende vragen van haar kant en zat zij daar blijkbaar met een houding van “als hij iets wil vertellen dan hoor ik het wel”. Tja, dan ben je natuurlijk snel uit"gepraat".
 

Andere golflengte

Hoe meer ik ging nadenken over de verschillende kijk die mijn (toenmalige) toekomstige ex-vrouw en ik hadden over een goede communicatie, hoe duidelijker het me werd dat haar communicatiemethode de meest gangbare ter wereld is. Wat voor mij meteen het volgende puzzelstukje betekende in mijn zoektocht naar mijn eigen identiteit. Dát verklaarde dus waarom ik me in gezelschappen vaak zo ongemakkelijk voelde en ik het vreemde idee had alsof ik op een andere golflengte communiceerde.
 

PDD-NOS hoek

Jarenlang kon ik geen vat krijgen op de wijze waarop mensen in de meest triviale sociale situaties met elkaar communiceren en had ik het gevoel alsof ik als buitenstaander een spel zat te observeren wat ik niet beheerste. Iets wat je overigens nooit zo tegen een therapeut moet zeggen tenzij je er mee kan leven om zonder pardon in de PDD-NOS hoek te worden geduwd en het stempel autist op je voorhoofd te krijgen geplakt (lees mijn Privé Tonko achtluik). Maar juist omdat ik helemaal geen autist ben, kon ik me altijd goed inleven in hoe autisten zich op dit gebied moesten voelen. 

Ambivalent

Het meest verwarrende van alles was dat het allemaal zo ambivalent aanvoelde. Aan de ene kant was ik, uiteraard terecht, eigenwijs genoeg om mezelf veel socialer te vinden dan de meeste anderen. Vooral omdat ik in één-op-één situaties oprechte belangstelling kan tonen door bijvoorbeeld directe vragen te stellen die anderen nooit zullen, willen of durven stellen. Wat als voordeel (?) heeft dat relatief onbekenden mij wel eens levensverhalen vertelden en dingen toevertrouwden die ze nog niet eerder aan iemand hadden verteld.
Maar aan de andere kant kon ik ook niet ontkennen dat in de meest voorkomende sociale situaties iedereen om mij heen maar steeds druk met elkaar leek te praten terwijl ik er maar verloren bij liep en niet begreep hoe ze dat toch flikten. Dat ik hierbij allesbehalve een sociale indruk maakte, moge duidelijk zijn. Blijkbaar kun je meerdere betekenissen geven aan het woord "sociaal" en ligt het er maar aan welke definitie jij hanteert. 
 

Smalltalk

Op een gegeven moment was ik wel zover dat ik merkte dat het overgrote deel van de communicatie draait om iets waar ik niets mee heb en (dus) heel slecht beheers: smalltalk. In plaats van over koetjes en kalfjes te praten, begin ik tien keer liever met iemand een gesprek door de opmerking dat het toch fascinerend is dat als je erover doordenkt je kunt concluderen dat een groot deel van waar mensen met elkaar over praten eigenlijk overbodig en nietszeggend is. Al ben ik gelukkig nog niet zo wereldvreemd dat ik niet begrijp dat er betere openingszinnen voor een gesprek bestaan. Hoe goed die andersom bij mij overigens wel zou werken. 

Een vrouw aan het huilen krijgen

Het doet me denken aan een date die ik ooit jaren geleden had met een vrouw die dolgraag van tevoren door mijn zoons zou zijn gewaarschuwd. Overdonderd door mijn vragen verliep het gesprek zo rampzalig dat ze er uiteindelijk zelfs tranen van in haar ogen kreeg. Ja hoor heb ik weer, dacht ik. Een vrouw aan het huilen krijgen tijdens een date is maar weinigen gegeven, maar ik krijg zoiets moeiteloos voor mekaar. Terwijl ik alleen maar wilde weten wie ze was en wat haar bezighield in het leven. Ook hier was wederom sprake van het bekende misverstand waarbij mensen belangstelling en interesse tonen verwarren met bemoeizucht en brutaliteit.
Oké, misschien vroeg ik door de zenuwen teveel en te vaak door. Of misschien kwam het gewoon omdat ze mij andersom niets vroeg en ik vergeten was er rekening mee te houden dat de kans groot was dat ook zij dezelfde communicatiemethode hanteerde als mijn ex en de meeste andere aardbewoners. Toen we uiteindelijk afscheid namen, liet ze nog wel los dat ze me toch wel erg aardig vond. Leuk voor de statistiek zullen we maar zeggen.
 

Typerend

Dat ik inmiddels mijn valkuil weet, wil nog niet zeggen dat ik er nooit meer intrap. Van de week moest mijn jongste zoon nog hard lachen omdat ik tijdens de eerste ontmoeting met de moeder van zijn vriendin een opmerking plaatste die hij typerend voor mij vond. De moeder vertelde - meer grappig dan lullig bedoeld - dat ze haar dochter lui vond waarop ik aangaf het een interessante vraag te vinden wat “lui” nou eigenlijk precies inhoudt. Omdat volgens mij niemand te lui is om dingen te doen die hij leuk vindt, kan een lui persoon ook iemand zijn die niet goed weet wat hij leuk vindt. Mijn zoon zei dat ik in staat ben om met iemand die aan me vraagt of alles goed gaat, te gaan discussiëren over de betekenis van het woord "goed". En hij heeft helemaal gelijk, want "goed" is natuurlijk een vaag en relatief begrip...
 

Seksleven

Misschien vond die moeder me vermoeiend. Als ik vraag en (vooral) doorvraag schijn ik dat te kunnen zijn. Of men vindt mij te direct of te brutaal. Ooit vertelde mijn toenmalige vrouw dat ze niet de enige was die vond dat ik soms impertinente vragen stelde. Een buurvouw had dat een keer losgelaten aan haar moeder. Ik kon me wel herinneren dat ik met die vrouw gesproken had, maar gek genoeg kon ik me geen vraag voor de geest halen die in mijn ogen als impertinent zou kunnen worden geïnterpreteerd. Zover ik wist had ik niet naar haar seksleven gevraagd of zo.  
 

Impertinente, vermoeiende vragen

Maar inmiddels ben ik erachter dat daarbuiten een hele grote wereld bestaat waarin een vraag sowieso al snel als impertinent wordt gezien als die niet in de sociaal wenselijke vragenbox past. Waarbij een vraag als “Hoe gaat het?” is toegestaan, mits die beantwoord wordt met “Goed”. (Te) eerlijk antwoorden en doorvragen wordt niet zo op prijs gesteld omdat de communicatieraderen soepel draaien en men daar geen zand tussen wenst. Jij zegt gewoon iets en dan zegt de ander iets en dan jij weer en zo gaat dat heen en weer. Is dat nou zo moeilijk?
De vriendinnen van mijn zoons vonden de ondervraging meevallen. Maar ik hield me ook een beetje in. Mijn aanstaande schoondochters (? romanticus als ik ben) ten overstaan van mijn zoons in een eerste gesprek aan het huilen maken, ging mij iets te ver. En naar hun seksleven heb ik niet geïnformeerd. Nog niet. Dat is meer iets voor het tweede gesprek. Ik wil nog geen opa worden. De moeder van de net veertien jaar geworden vriendin van mijn zoon zal me dankbaar zijn. Soms zijn impertinente vermoeiende vragen zo slecht nog niet.


Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.