Posts tonen met het label Nature en nurture. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nature en nurture. Alle posts tonen

vrijdag 21 juni 2019

295. Winnie de Poeh is de grootste filosoof

Privé - Film/Serie/Docu - Liefde/Relaties - Nature/Nurture



Sentimentele familiefilm

Ik heb niet bepaald de uitstraling van iemand die tijdens het zien van een of andere sentimentele familiefilm in huilen kan uitbarsten. Onlangs zei een vrouw nog tegen me dat ze mij een bevroren buitenkant vond hebben met een groot verschil tussen wat ik voel en wat ik fysiek laat zien. Pijnlijk om te horen, maar ik vrees dat ik wel een beetje begrijp wat ze bedoelt.
Desalniettemin ben ik achter mijn “coole” buitenkant best wel een gevoelig - zelfs voor een deel hoogsensitief - mens. Mede waardoor precies dat mij laatst toch overkwam. Al klinkt in huilen uitbarsten misschien wat overdreven. Maar ik kan niet ontkennen dat er tranen over mijn wangen rolden bij het zien van de sentimentele familiefilm “Christopher Robin” (in het Nederlands: Janneman Robinson & Poeh).
 

Moraal van het verhaal

De film draait om het beroemde verhaal van Winnie de Poeh en zijn vriendje Christopher Robin/Janneman Robinson. Het is een zoete, sentimentele én voorspelbare familiefilm die de nodige clichés bevat. Maar bij mij werkte het in elk geval. En ik begrijp ook heel goed waarom.
Het verhaal in de film deed mij erg denken aan de film “Hook” uit 1991 en geen wonder. Het thema van beide films is hetzelfde: een man met een fantastische (of misschien beter gezegd: fantasievolle) jeugd groeit op richting volwassenheid en vergeet onderweg alles wat er zo leuk was aan het kind-zijn. Vervolgens wordt hij bezocht door karakters uit zijn jeugd die hem helpen weer contact te maken met het - blije, onbevangen, spontane - kind in hem.
Waar in “Hook” een volwassen geworden Peter Pan vergeten is dat hij ooit de jonge held Peter Pan was, is in “Christopher Robin” de volwassen geworden Janneman Robinson zijn geweldige kindertijd vergeten waarin hij zoveel mooie avonturen beleefde met Winnie de Poeh, Knorretje, Teigetje, Iejoor en al zijn andere vriendjes.
[Peter Pan en Janneman Robinsons worden in deze films overigens gespeeld door respectievelijk de veel te vroeg gestorven Robin Williams - zie ook column 145 - en Ewan McGregor, een van mijn favoriete acteurs vooral door zijn hoofdrol in de prachtige film “Big Fish” uit 2003 - zie ook column 175)]
De Janneman Robinson die vroeger een spontane en blije jongen was waarmee je altijd zo fijn kon spelen, is in de film een saaie, beetje chagrijnige manager geworden die alleen nog maar oog heeft voor zijn werk en amper omkijkt naar zijn vrouw en dochtertje.
De moraal van het verhaal is een inkoppertje: wij volwassenen zijn teveel het contact met het kind in ons kwijtgeraakt en zouden er goed aan doen om dat contact te herstellen waardoor we gelukkiger in het leven zouden staan.
 

Nooit uitblinkend in tact

Dat de film mij raakte, is niet vreemd. Om twee redenen.
Ten eerste stond ik zelf als jong kind best wel onbevangen in het leven: ik was spontaan, enthousiast, druk, slim, creatief, grappig (“soms té grappig” schreef een juf), had een brede belangstelling, zat vol ideeën en fantasieën en was aldus behoorlijk happy. Nog een opvallend detail is dat ik destijds best wel een leidertje was. In groepen nam ik vaak het voortouw en ik had geen enkele moeite om in het midden van de belangstelling te staan.
In de loop der tijd veranderde dit patroon echter drastisch. Zelfs zo erg dat ik in de pubertijd op school was verworden tot een stille, verlegen, teruggetrokken, nukkige, nerd-achtige jongen die regelmatig tijdens de pauzes in zijn eentje een rondje om de school liep. Waar mijn moeder die dit ooit zag toen ze toevallig in de buurt langsreed, later over opmerkte: “Ik weet niet precies waar het met jou is misgegaan.” Nee, mijn moeder stond tijdens het uitdelen van tact door God inderdaad niet vooraan in de rij...
 
Pas decennia later toen ik met dank aan mijn kinderen mezelf pas écht leerde kennen, vielen met terugwerkende kracht allerlei puzzelstukjes op hun plaats en begon ik te begrijpen welke patronen zich destijds hadden afgespeeld (zie o.a. columns Privé Tonko achtluik, vanaf column 131).
De film maakte mij verdrietig door het besef dat ook ik onderweg naar volwassenheid het kind in mij grotendeels ben kwijtgeraakt. Verdrietig omdat ik ervan overtuigd ben dat de persoon die je als jong kind bent het dichtst bij jou staat en aldus het best weergeeft wie jij in de kern bent. En het liefst wil je natuurlijk je hele leven zo dicht mogelijk bij jezelf staan. 
Het goede nieuws is wel dat ik met mijn opgedane zelfkennis van de laatste jaren stap voor stap weer een beetje ben teruggekeerd naar het kind dat ik vroeger was. Ik weet nu beter dan ooit wie ik ben en waar mijn kwaliteiten liggen, waardoor ik in bepaalde opzichten zelfverzekerder geworden ben.
Ten opzichte van de volwassen Peter Pan en Janneman Robinson heb ik gelukkig twee voordelen. Ten eerste ben ik nooit een workaholic geweest. Integendeel zelfs. Wat ook weer nadelen heeft. Waar de een risico loopt op een burn-out, moet de ander uitkijken voor een bore-out (zie column 275). Ten tweede kunnen mijn kinderen niet zeggen dat ik er nooit voor ze was. Hooguit verwijten ze me later dat ik er te veel was. Nee, ik was niet bepaald het type vader dat alleen op zondag het vlees kwam snijden. Al is dat alleen al door het feit dat ik een vegetariër ben…
 

De liefde

Nog een belangrijke reden waarom de film mij emotioneel raakte, komt omdat hij me aan de liefde (lees: een vrouw) deed denken.
Bijzonder voor mij - omdat mijn (op één na) drie volwassen kinderen mij eigenlijk bijna alleen maar als single vader hebben gekend - was dat ik in de afgelopen periode een korte maar fijne relatie heb gehad met een leuke, aantrekkelijke vrouw. Een vrouw die het andersom overigens niet als een relatie wenste te beschouwen, waarmee ik in feite al meteen de belangrijkste reden verklap waarom het uiteindelijk tussen ons niet werkte en ze inmiddels mijn ex-vriendin is. Overbodig te zeggen dat zij het met deze laatste term ook niet eens zal zijn…
 

Taboe

Om diverse redenen vond ik dat wij goed bij elkaar pasten. Behalve dat ik haar qua uiterlijk aantrekkelijk vond om te zien met haar mooie bruine ogen en haren en haar alternatieve kledingstijl, hadden we de nodige overeenkomsten, konden we goed met elkaar praten over van alles en nog wat, hielden we allebei van plagen, vond ik haar (zeker voor een vrouw...) erg grappig, deden we samen leuke dingen (film, theater, wandelen, eten), had ze bovendien ook nog eens lieve kinderen en hadden we “last but not least” hele fijne seks. Misschien voor sommigen een taboe om dat zo direct te benoemen, maar ik heb niet zoveel met taboes.
Samengevat: wat wij hadden, voelde goed. Het voelde als een fijne relatie en ik weet zeker dat de meesten in mijn situatie precies hetzelfde gevoel hadden gehad.
 

Bindingsangst

Maar wat een duidelijk patroon was tijdens mijn laatste dates voltrok zich hier opnieuw (zie columns 291, 292 en 293): als een beetje aparte man trek ik vanzelf ook aparte vrouwen aan. Wat evenveel over mij zegt als over hun. Soort zoekt - én vindt - soort. Wie een redelijk gevuld rugzakje heeft en gaat daten, stuit al snel op anderen met eveneens goed gevulde rugzakjes.
Waar ik vorig jaar tijdens een date even had gezoend en geknuffeld met een vrouw die beweerde hoogsensitief te zijn, maar die ik naarmate ik haar beter leerde kennen duidelijk meer borderline trekjes vond hebben, kwam mijn vriendin zelf met een nieuwe term. Ze gaf aan last te hebben van bindingsangst.
Nou ja nieuw was de term natuurlijk niet, maar in feite wist ik niets van bindingsangst af behalve dan wat het woord letterlijk betekent: je hebt angst om je (aan iemand) te binden.
Goede eigenschap van mij is dat als ik een term niet ken, ik er alles over ga opzoeken. Waardoor je gerust kunt stellen dat ik inmiddels een soort expert op het gebied van bindingsangst ben geworden.
Het eerste wat mij duidelijk werd, is dat je twee soorten bindingsangst hebt: serieuze bindingsangst en niet-serieuze bindingsangst. Waarbij het tweede soort te pas en te onpas gebruikt wordt door mensen als een soort excuus voor vluchtgedrag.
Serieuze bindingsangst daarentegen gaat veel dieper, komt vaak voort uit jeugdtrauma’s en wordt echt beschouwd als een psychische ziekte. Waardoor je er niet zomaar weer vanaf komt, maar echt met hulp van een professional met jezelf aan de slag zult moeten gaan.
Hoe meer ik erover las, hoe verdrietiger en emotioneler ik werd, aangezien ik de typische patronen en fases die bij (serieuze) bindingsangst horen, herkende bij mijn vriendin en onze relatie: in het begin van de relatie is er niets aan de hand en is het allemaal juist ontzettend leuk en opwindend, dan komt de fase waarin je van het ene op het andere moment opeens totaal onverwacht wordt afgestoten door je partner (omdat je te dichtbij komt) en krijg je vage redenen te horen waarom je toch niet bij elkaar past. De fases van afstoten kunnen nog een tijdje worden afgewisseld met fases van aantrekken waarin je partner opeens toch weer jouw kant op beweegt. Waarbij de kans groot is dat je uiteindelijk in de onvermijdelijke fase belandt waarin je moet concluderen dat het zo niet gaat werken.
Veel mensen met bindingsangst zoeken ook naar de ideale partner omdat dat veilig is. De ideale partner bestaat tenslotte niet en dus zul je je zodoende ook nooit aan iemand hoeven te binden en kom je nooit toe aan de fase waarin het draait om echte verbinding en echte liefde. Niemand is goed genoeg. Waardoor je steeds van de ene naar de andere partner hopt (mijn ex-vriendin was ook heel snel na mij weer met een andere man bezig) omdat de ideale partner er - hoe verrassend - nooit tussen zit. Doodzonde en verdrietig natuurlijk, want je hoeft geen psycholoog te zijn om te beseffen dat zo'n patroon je niet gelukkig maakt maar wel eenzaam. Diep in ons hart zoeken we tenslotte allemaal naar liefde en verbinding.  
 

Nature/nurture kwestie

Wat de film “Christopher Robin” mij duidelijk maakte, is dat het niet altijd meevalt om volwassen te zijn. Waar je als kind - als het goed is tenminste - nog behoorlijk onbevangen en onbezorgd naar het leven kunt kijken, is dat voor een volwassene veel moeilijker. Bijvoorbeeld door alle stressvolle verantwoordelijkheden waar je als volwassene mee te maken krijgt.
Uiteraard is het vanuit de nature/nurture kwestie bekeken voor een kind ook niet altijd even makkelijk. Al is het alleen al vanwege het simpele feit dat ieder kind vanaf de geboorte al begint met een in meer of mindere mate gevuld rugzakje vanuit de erfelijkheid en de genen (de “nature”).
Maar dat rugzakje wordt naarmate je ouder wordt door alle “nurture” omstandigheden en levenservaringen alleen nog maar zwaarder. Daar komt nog bij dat je als volwassene meer beseft wat er allemaal gaande is aan persoonlijke (bijvoorbeeld psychische) problemen en je daar dus waarschijnlijk ook meer over nadenkt én tobt dan een kind. En "gelukkig" maar…
Op deze wijze loop je echter wel het risico jezelf als volwassene continu in de weg te zitten wat ten koste gaat van belangrijke zaken als spontaniteit, creativiteit, speelsheid en blijheid, waardoor je vanzelf - of je wilt of niet - iets van het kind in je verliest. En dat is doodzonde omdat ik ervan overtuigd ben dat je hiermee ook wat inlevert aan je gevoel van gelukkig zijn.
 

Niet nu

In het geval van mijn ex-vriendin en mij speelden ook een aantal gecompliceerde zaken een rol waar je als volwassene meestal meer van op de hoogte bent en die je ook beter kunt begrijpen en plaatsen dan een kind: diverse angsten (bindingsangst, verlatingsangst, faalangst), ADD, hoogbegaafdheid, autisme, hoogsensitiviteit, onverwerkte traumatische gebeurtenissen et cetera.
Maar laten we hierbij meteen eerlijk zijn: wie diep graaft in ieders verleden stuit in veel gevallen vroeg of laat op bepaalde complicaties vanuit de nature/nurture achtergrond waar een volwassene in zijn leven in meer of mindere mate last van heeft gehad. Dat is volstrekt normaal.
Tijdens de film over Janneman Robinson en Winnie de Poeh moest ik regelmatig aan mijn ex-vriendin denken. Ik dacht vooral aan de pijnlijke en verdrietige wijze waarop zij onze “relatie” beëindigd had. Niet op een manier waardoor ik het kon begrijpen en een plaats kon geven, maar op een manier die pure onmacht uitstraalde. Als dat van een volwassene die zichzelf continu in de weg zit en het zelf ook allemaal niet meer weet. Als een vrouw die door allerlei gecompliceerde nature/nurture factoren maar kiest voor de weg van de minste weerstand: vluchten…
Wat mijn ex-vriendin bijvoorbeeld keer op keer in vergelijkbare woorden herhaalde was dat ik teveel aan haar trok, dat ze weer wilde ademen, dat ze rust wilde, dat ze weer vrij wilde zijn, dat ze het niet kon, niet nu althans, maar dat ik niet op haar moest wachten et cetera (bekende bindingsangst-argumenten).

Ik weet dat dit klinkt alsof ik haar lastigviel of stalkte, maar dat was absoluut niet het geval. Wat ik wel deed, was initiatieven nemen die iedereen neemt in een (LAT) relatie: je neemt eens in de zoveel tijd contact op om weer met elkaar af te spreken omdat je dat zo leuk vindt en je gewoon liefde en verbinding zoekt. That’s it. Maar op een gegeven moment - toen ik voor haar te dichtbij kwam - kon ze het gewoon niet meer: “Niet nu!”
 

Aandoenlijke scène

Tijdens het kijken van de film stelde ik mij met betraande ogen zo voor dat mijn ex-vriendin in de rol van een volwassen Janneman Robinson aan Winnie de Poeh zou moeten proberen uit te leggen waarom het tussen hun niet werkt. Ik zie het arme, verwarde gezicht van Winnie de Poeh al voor me. Waarschijnlijk zou het gesprek ongeveer als volgt verlopen:

Winnie de Poeh: "Maar vind je mij leuk?"
Janneman Robinson: "Ja natuurlijk vind ik je leuk, gekke beer. Daar hoef je nooit aan te twijfelen."
Winnie de Poeh: "Nou, ik vind jou ook leuk. Heel leuk zelfs."
Janneman Robinson: "Dat weet ik toch."
Winnie de Poeh: "Maar als ik jou leuk vind en jij mij, waarom kunnen we dan niet gewoon fijn verder met elkaar blijven spelen...?"
 
Wat een aandoenlijke scène zou dit hebben opgeleverd...
 

De wereld en filosofie van Winnie de Poeh

Ja, in tegenstelling tot de meeste volwassenen maakt Winnie de Poeh de dingen niet ingewikkelder dan ze zijn. De simpele levenshouding van de populaire beer heeft zelfs schrijvers als John Tyerman Williams en Benjamin Hoff geïnspireerd tot het schrijven van boekjes over de filosofie achter Winnie de Poeh. Wie deze interessante boekjes leest, begrijpt het meteen: vergeet onmiddellijk Plato, Aristoteles en Kant, want niet zij maar toch echt Winnie de Poeh is de grootste filosoof ooit.
Misschien wat ver gezocht, maar desalniettemin kun je wel vaststellen dat je op het gebied van filosofie en filosofische stromingen een hoop van Winnie de Poeh kunt leren. Met als voorbeelden: het is verstandig om te leven in het nu in plaats van bezig te zijn met het verleden en de toekomst (Taoïsme, (Zen) Boeddhisme, Stoïcisme); je kunt beter dingen simpel houden en leren om eenvoud te waarderen (
Taoïsme, (Zen) Boeddhisme, Romantiek, Humanisme); ken je beperkingen (Stoïcisme, Taoïsme, Socratische filosofie), leef je in anderen in en heb mededogen (Boeddhisme, Humanisme, Christendom: naastenliefde), leer tevreden te zijn met wat je hebt in plaats van steeds meer te willen hebben (Taoïsme, Boeddhisme, Stoïcisme, Epicurisme) etc.
Ik wilde eerst nog zeggen dat in de mooie wereld van Winnie de Poeh in elk geval geen gekke psychische afwijkingen bestaan, maar dat is iets te enthousiast gesteld want dat klopt eenvoudigweg niet. Ik las hierover ergens dat als je naar de karakters rondom Winnie de Poeh kijkt, je kunt concluderen dat Teigetje iets van ADHD in zich lijkt te hebben, dat Knorretje vermoedelijk een of andere angststoornis heeft en dat Iejoor overduidelijk last heeft van depressies. Dus niets menselijks is deze dieren vreemd!
Maar desalniettemin spreekt de filosofie van Winnie de Poeh mij erg aan. Keken wij volwassenen maar wat meer naar de wereld zoals deze kinderlijke doch verstandige beer. Als we allemaal wat meer het kind in ons naar boven zouden kunnen brengen, zou dat een hoop ellende in de wereld schelen. 
 
En liefdesverdriet...


Tonko


Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


  

woensdag 11 oktober 2017

277. Ik haat mijn werk! (2/2)

Privé - Werk - Burn-out/Bore-out










 

Rijst op de plank

Dat ik nog nooit een baan heb gehad die mij boeide en waarin ik me niet binnen korte tijd begon te vervelen, zegt natuurlijk alles over mij en over mijn nature-nurture achtergrond met een complex van factoren die verklaren waarom dingen gegaan zijn zoals ze zijn gegaan.
Ik zou nu kunnen zeggen dat ik me voor deze uitspraak schaam, maar dat zou ik uitermate beledigend vinden richting al die miljoenen mensen wereldwijd die dag in dag uit aan het ploeteren zijn in banen waarin ze allesbehalve gelukkig zijn. Maar die het werk simpelweg moeten doen om te overleven omdat er tenslotte gewoon brood - of in de meeste gevallen rijst - op de plank moet komen. 
 

Hautaine houding

In het zeer welvarende Nederland word je echter al snel vreemd aangekeken als je zegt dat je nog nooit werk hebt gedaan wat je boeiend vond. Want dan heb je iets fout gedaan en valt jou dat te verwijten. Misschien zou je dit zelfs een taboe kunnen noemen. Waarbij de Nederlanders dan wel even moeten beseffen dat het getuigt van een enorme hautaine houding als je vindt dat je werk moet verrichten dat je leuk en uitdagend vindt. Een houding die je alleen maar kunt innemen vanuit een luxepositie in een welvarend land als Nederland.
 

Twaalf-steden-dertien-ongelukken

Na een lange twaalf-steden-dertien-ongelukken-achtige carrière ben ik nu terechtgekomen in een branche en baan waar ik verder ook weinig tot niets mee heb. Ik werk in de vervoersbranche als chauffeur voor senioren en mensen met een medische indicatie die ik binnen de regio Amsterdam voor heel weinig geld - zowel voor hen als voor mij - van A naar B breng.
Hierbij gaat het globaal om twee soorten bestemmingen: enerzijds ziekenhuizen, revalidatiecentra, verzorgingshuizen etc. en anderzijds sociale bezoekjes aan kinderen en kleinkinderen. Gemiddeld duren de ritjes ongeveer een halfuur waarbinnen je met de mensen een babbeltje maakt over van alles en nog wat. 
 

Positief

Om positief te beginnen: ik kan deze baan naar mezelf toe in elk geval verantwoorden omdat het om werk gaat waarbij je een groep kwetsbare mensen helpt en je de wereld aldus een piepklein beetje beter maakt. Want zonder dit spotgoedkope vervoer zouden veel van deze mensen een stuk minder mobiel zijn geweest met een vergrote kans op (nog meer) eenzaamheid, iets wat ik ook regelmatig van dankbare klanten te horen krijg.
 

Geen bevrediging

Toch geeft mijn werk mij om diverse redenen totaal geen bevrediging. Wat een stuk mooier is geformuleerd dan: ik haat mijn werk!
Als eerste kan ik natuurlijk het zeer lage salaris noemen, maar dat vind ik absoluut niet het belangrijkste. Ik werk tien keer liever in een hele leuke functie voor een salaris waarmee ik net rondkom, dan dat ik een topsalaris verdien in een functie waarin ik me ongelukkig voel.
Met mijn collega’s voel ik geen band. Ondanks dat ik goed besef dat het arrogant klinkt (wat niet mijn bedoeling is), merk ik dat ik vergeleken met mijn collega’s gemiddeld een stuk hoger opgeleid en slimmer ben, waardoor ik vanzelf minder een klik voel. Soort blijft nu eenmaal (meestal) een voorkeur voor soort hebben en zoekt dus ook (meestal) soort. Simpelweg omdat het fijn is om met mensen te zijn die qua nature en nurture achtergronden vergelijkbaar zijn met jou waardoor je onderling veel herkenning ziet. Het scheelt dat ik in dit werk vrijwel geen contact met collega’s heb (ik zie bijna alleen maar klanten), maar op momenten dat dat wel zo is, zoals bijvoorbeeld bij cursussen, voel ik mij eenzaam.
Ondanks de uitzonderingen - die er uiteraard ook onder de chauffeurs zijn - geldt voor de klanten min of meer hetzelfde. De gemiddelde klant bij dit soort vervoer heeft minder geld te besteden en is gemiddeld dus ook lager opgeleid. Wat statistisch gezien de kans vergroot op gesprekken die niet zo diepgaand gaan en die meer vallen onder de smalltalk-gesprekken. En laten smalltalk-gesprekken nou net niet mijn ding zijn. Geef mij maar diepgaande, intellectuele, filosofische gesprekken. Daar word ik pas blij van! 
Positief bekeken kun je redeneren dat dit werk dus goed voor me is, aangezien ik kan oefenen in iets waarin ik slecht ben. Negatief bekeken zal me dat echter een zorg zijn omdat ik nu eenmaal niets met smalltalkgesprekjes heb en geen behoefte voel om ze te leren. Noem mij gerust extreem serieus, maar als het aan mij ligt gaan vrijwel alle (honderd procent is wat overdreven) gesprekken die ik voer over diepgaande, intellectuele, liefst filosofische onderwerpen. Hoe ouder ik word, hoe groter deze behoefte wordt.
Dat ik totaal geen stadmens ben en liefst midden in de natuur zou wonen, is ook een groot nadeel in dit werk dat zich grotendeels in en rondom Amsterdam afspeelt. Als ik dit soort chauffeurswerk in de Ardennen zou doen (en ik dan opeens ook vloeiend Frans blijk te spreken graag!) en ik krijg alleen maar filosofisch ingestelde klanten in mijn taxi waarmee ik de meest boeiende gesprekken heb, dan zou ik dit waarschijnlijk een wereldbaan vinden.
 

Enorme sleur

Uiteindelijk zijn al mijn problemen met werk terug te voeren op één ding: verveling. Ook in dit chauffeurswerk lijken alle dagen op elkaar, met dezelfde soort ritjes, dezelfde soort klanten en dezelfde soort (smalltalk) gesprekken. Waar menig collega-chauffeur waarschijnlijk zal spreken over leuk en gevarieerd werk, ervaar ik het als een herhaling van zetten en een enorme sleur.
Mijn geluk - of pech, het is maar hoe je het bekijkt - is echter dat als ik om mij heen kijk, ik niemand zie met een baan waar ik jaloers op ben. Afgezien van het salaris dan want als ik dat meereken, kan ik op vrijwel iedereen jaloers zijn.
Als ik nadenk en vooral doordenk over de banen van mensen om mij heen, ben ik ervan overtuigd dat ik me bij elk van deze banen eerder vroeg dan laat ook zou gaan vervelen. Of het nou gaat om werk als bijvoorbeeld bankmanager, leerkracht, advocaat, stewardess, oogarts, ICT’er of piloot, ik ga het allemaal op den duur saai vinden en ervaren als een herhaling van zetten.
Waarbij er overigens natuurlijk nog genoeg andere redenen te bedenken zijn waarom ik genoemde banen sowieso niet zou trekken: ik ben (te) eerlijk en integer, ik houd niet van dienen en slijmen, ik heb geen autisme en ben niet accuraat, ik heb niets met het onderwerp geld, ik houd niet van vliegen en drukke luchthavens, ik kan en wil geen orde houden en ik kan niet tegen prikken en bloed (opdracht: combineer bovenstaande banen en excuses met elkaar).
En laten we eerlijk zijn: zelfs de uitdaging is er bij de meeste banen op een gegeven moment gewoon vanaf. Hooguit moet je eens in de zoveel tijd wat nieuwe vaardigheden en kennis opdoen, maar uiteindelijk wordt ook dat gewoon opnieuw routine en kun je (zeker als piloot) weer overgaan op de automatische piloot. Boring!
 

Passie

Voor mij persoonlijk is de kans op een bore-out denk ik het kleinst bij werk waar passie de basis vormt. En dan denk ik meteen aan creatieve beroepen of aan de wetenschap.
Maar zelfs bij dit soort beroepen denk ik dat verveling bij mij vroeg of laat op de loer zal liggen. Bijvoorbeeld als je jezelf in je creatieve producten gaat herhalen (ook een groot gevaar bij het schrijven van columns!) of als je wetenschappelijke onderzoeken keer op keer mislukken en resultaat uitblijft. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat als je van je passie je werk maakt je moet beseffen dat het dan werk wordt en dat is toch vaak iets heel anders.
Probleem is echter dat niet iedereen zomaar een grote passie heeft, laat staan dat je er vervolgens ook zomaar je geld mee kunt verdienen. Zo zou ik het schrijven van mijn columns misschien een kleine passie kunnen noemen, maar columnist is niet een echt beroep met vacatures waarop je kunt solliciteren. En de paar gelukkigen die er wel geld mee verdienen, en misschien zelfs genoeg om van rond te komen (veelal BN'ers), hebben inderdaad heel veel geluk.
Wat me meteen doet denken aan al die talloze mensen die in hun vrije tijd een boek aan het schrijven zijn en die allemaal een voor een (in 99 procent van de gevallen tevergeefs) hopen op die ene geluksdag waarop ze "ontdekt" worden. Waardoor ze eindelijk kunnen ontsnappen aan de verveling en dagelijkse sleur van hun echte werk...
 

Hoogbegaafde ADD'ers

Ondanks dat ik besef dat ik cynisch klink, denk ik ook dat mijn verhaal voor diverse hoogbegaafde ADD’ers herkenbaar zal zijn. Sinds ik dit stempel ooit voorzichtig van mijn psychiater kreeg opgeplakt en ik er veel over ben gaan lezen, begrijp ik steeds beter waarom ik me snel verveel.
Ik heb de ongelukkige combinatie in me van dat ik ten eerste moeite heb met lang concentreren waardoor ik snel ergens op uitgekeken raak (past bij ADD) en dat daarnaast ook nog de vervelende neiging heb om alles tot vervelens toe door te blijven analyseren waardoor in feite alles zinloos wordt (past bij hoogbegaafdheid). 
 

Van wie hij dat heeft, is mij een raadsel...

Vooral bij mijn jongste zoon zie ik nu al een vergelijkbaar patroon wat werk betreft. Voor iemand van zeventien heeft hij al best veel baantjes gehad en de hoofdreden hiervoor laat zich raden: na meestal een redelijk enthousiast begin, raakt hij al snel verveeld. Daarnaast stoort hij zich ook vrij snel aan zaken als de (niet efficiënte) manier van werken, incompetente leidinggevenden, het lage salaris etc. Van wie hij dit heeft, is mij een raadsel…  
Gelukkig is hij heel anders dan zijn vader op die leeftijd. Mijn jongste zoon heeft (wél) genoeg zelfvertrouwen en lef en redeneert vanuit zijn relaxte houding dat als het werk hem niet bevalt hij ermee moet stoppen en ander werk moet gaan zoeken. Zijn oudere broer heeft vergelijkbare gevoelens van verveling in zijn baantje, maar omdat hij iets gevoeliger, onzekerder en verlegener is, heeft hij meer de neiging om te blijven zitten waar hij zit (helaas ook herkenbaar).
Ondanks dat er natuurlijk heus wel wat valt aan te merken op de wijze waarop mijn jongste zoon met werk omgaat (hij gaat bijvoorbeeld niet altijd even tactisch om met autoriteit, alsof ik hem daarin les heb gegeven of zo...), complimenteer ik hem vooral en moedig ik hem juist aan om zoveel mogelijk baantjes te slijten als ze hem niet bevallen. Tenslotte is dat dé manier om erachter te komen wat écht bij hem past en wat niet.
Wat dat precies zal zijn, zal de toekomst uitwijzen. Wel ben ik er al lang van overtuigd dat hij iemand is voor een eigen bedrijf. Met zijn kritische kijk op alles, zal hij vrijwel overal vroeg of laat problemen krijgen met leidinggevenden en de beste manier om dat te voorkomen is om voor jezelf te beginnen.
 

Op een zijspoor

Waar ik richting mijn kinderen er alle vertrouwen in heb dat zij met hun hele leven nog voor zich uiteindelijk de baan zullen vinden die bij hen past, ben ik over mijn eigen kansen een stuk pessimistischer. Ik zal vooral moeten accepteren dat ik werk gewoon niet boeiend vind, maar dat ik het nu eenmaal nodig heb voor het geld. Natuurlijk zou je nu kunnen zeggen dat je óók als je 51 jaar bent en je zit vast in een baan die je niet bevalt je nog steeds leuk en uitdagend werk kunt gaan vinden, maar dat ligt toch een stuk gecompliceerder en is aldus vaak makkelijker gezegd dan gedaan.
De afgelopen jaren ben ik bijvoorbeeld als vrijwilliger een “maatje” geweest voor twee hoogbegaafde mannen die beiden door uiteenlopende nature en nurture factoren zowel maatschappelijk als sociaal gezien op een zijspoor waren beland. Als ik nu tegen hen zou zeggen van "Kom op geen gezeur, ga gewoon een leuke, uitdagende baan zoeken waar je blij van wordt!" dan zou dat helemaal nergens op slaan. Dat gaat echt niet werken. Kijkend naar hun gecompliceerde achtergrond begrijp ik heel goed dat het in hun leven niet is gegaan zoals ze het gewild hadden en dat dat nu niet zomaar een-twee-drie om te draaien valt.
Feit is en blijft dat de mens met al zijn nature en nurture factoren veel minder controle heeft over het verloop van zijn leven dan hij zou willen. Wat voor de een heel gewoon en vanzelfsprekend is om te bereiken, is dat voor een ander niet. Ieder mens is anders (zie ook columns 215 en 216). Maar goed, dit is een hele andere discussie (over of de vrije wil bestaat of niet) voor een hele andere column ooit misschien.

Maar om positief af te sluiten: ieder nadeel heeft zijn voordeel. Zo zou ik zonder (geen of) saai werk mijn columns nooit zijn gaan schrijven!


En nu maar de uitdaging aangaan om het proces van het schrijven van de columns zo lang mogelijk leuk en boeiend te houden om zo te voorkomen dat ook hier de verveling toeslaat en een nieuwe bore-out dreigt...










Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.