woensdag 30 september 2015

207. Doordenken over de dood

Privé - Dieren - Filosofie 

 



Meet Joe Black en Ballade van de Dood

In de sentimentele doch mooie film “Meet Joe Black” komt de Dood in de persoon van Brad Pitt op bezoek bij de door Anthony Hopkins gespeelde mediatycoon Bill Parish om hem te vertellen dat zijn tijd gekomen is. Menig vrouw zou ervoor tekenen, of zelfs zelfmoord overwegen, om zo heen te gaan.
Een interessant gegeven, al geloof ik er helemaal niets van dat de dood in welke gedaante dan ook zich aan je zal komen manifesteren als het moment daar is. En mocht dat toch zo zijn dan kun je altijd nog proberen om de dood op te sluiten in een glazen kooi zoals gebeurt in de briljante “Ballade van de Dood” (1983 - Koos Meinderts en Harrie Jekkers): “De Dood komt je halen, de Dood raakt je aan, dus de Dood moet in levende lijve bestaan!”
 

Willekeur boven logica

Of de dood verschenen is aan onze lieve oudste poes Ollie weet ik niet, maar wat ik wel weet is dat de dood haar te pakken heeft. Precies een week geleden hebben we haar op de respectabele leeftijd van zeventien jaar moeten laten inslapen.
Lange tijd dacht ik dat Ollie ouder dan twintig zou worden omdat ze altijd kerngezond was en nog een prachtige vacht had. Maar het geeft eens te meer aan dat de dood meer draait om willekeur dan om logica. Het enige logische aan de dood is dat we er geen van allen aan ontkomen.
 

Filosoof Karl Popper

Ik vraag me af of filosoof Karl Popper (1902-1994) bereid zou zijn geweest om in elk geval wel de dood als wetenschappelijk feit te accepteren als uitzondering op zijn falsifieerbaarheidsbeginsel₁: elke wetenschappelijke theorie is gedoemd een hypothese te blijven zo lang als die niet wordt weerlegd.
Of zou Popper ook bij de dood hebben geredeneerd dat het er weliswaar sterk op lijkt dat we allemaal vroeg of laat doodgaan, maar dat dat nog niet wil zeggen dat je kunt uitsluiten dat zich op een dag een levend wezen meldt dat niet/nooit blijkt dood te gaan. Interessante gedachte overigens, want hoe stel je in godsnaam vast dat iemand nooit doodgaat? 
Vooralsnog lijkt de dood als lot voor ons allen gewoon een feit. Ook voor de in 2010 overleden schrijver Harry Mulisch, ondanks zijn bij leven gedane uitspraak: "Het feit dat ik doodga, moet eerst nog bewezen worden." Iets wat voor God 
waarschijnlijk de aanleiding was om hem dit bewijs alsnog te "overhandigen"... 
 

Een stuk emotioneler

Het blijft onwerkelijk om een vredige, ogenschijnlijk slapende poes te begraven met de wetenschap dat je die nooit ofte nimmer meer zult zien. Met tranen in mijn ogen schepte ik de aarde op de nog steeds mooie rood, wit, zwart en grijs gestreepte lapjesvacht van Ollie.
Opvallend was dat mijn dochter van twaalf een stuk emotioneler was dan een paar jaar geleden met de dood van poezen Cheet en Ly (zie columns 71 en 105). Niet dat ze een voorkeur had voor Ollie, maar blijkbaar is ze op een leeftijd gekomen waarop ze door de door haar lichaam gierende hormonen gevoeliger reageert en bovendien waarschijnlijk meer dan ooit beseft wat doodgaan precies betekent.
Ik was in elk geval blij met mijn dochters reactie aangezien ik anders het gevoel zou hebben gehad de enige met emoties te zijn. Haar oudste (bij het inslapen) en jongste broer (bij het begraven) waren er weliswaar bij, maar echt veel steun hadden we er niet aan. Mijn oudste zoon had vroeger wel wat met onze katten, maar is nu met andere zaken bezig en mijn jongste zoon lijkt weliswaar veel op mij, maar nou net niet op het gebied van de liefde voor dieren.
Mijn dochter zal zich er wel wat bij kunnen voorstellen hoe belangrijk onze katten voor mij zijn. Zeker kwantitatief gezien durf ik gerust te stellen dat ik na mijn kinderen de meeste liefde van mijn katten ervaar. Mijn katten zijn tenslotte - in tegenstelling tot mijn kinderen (co-ouder) - altijd bij mij en dus mag je concluderen dat zij mij tijdens al mijn ups en downs en donkerste en eenzaamste uurtjes hebben meegemaakt én getroost. 
 

Pure ongecompliceerde liefde

Het mooie is dat katten op één punt net mensen zijn: ook zij hebben regelmatig aandacht en liefde nodig en op zulke momenten komen ze gewoon naar je toe. Zoals Ollie ook regelmatig deed. Pure ongecompliceerde liefde noem ik dat: lekker relaxed bij elkaar liggen en genieten van elkaars gezelschap.
Hierbij zie ik het grootste verschil tussen de omgang van mensen onderling en de omgang van mensen met dieren - het (niet) met elkaar kunnen praten - als een groot pluspunt. Want alhoewel ik regelmatig tegen mijn katten praat, besef ik maar al te goed dat als ze op een dag opeens tegen me terug zouden gaan praten, de lol er wel eens snel vanaf zou kunnen zijn. Vooral door het risico op o zo menselijke factoren als miscommunicatie, geklaag, gezeur, gelieg, discussies, irritaties etc.
Misschien een cynische uitspraak, maar als mensen niet zouden kunnen praten, zou mij dat in elk geval een hoop ergernis schelen (en vice versa - met mij als enorme prater - waarschijnlijk nog meer). Op die paar keer na dat een kat wel eens in huis had geplast en ik niet blij was, ben ik altijd lief tegen mijn katten (geweest) en nooit boos en dat is altijd geheel wederzijds (geweest). En vind maar eens een mens waarmee je hetzelfde bereikt...
 

Doordenken over de dood: That was All Folks!

Nooit meer leven, altijd dood. Net als “oneindig” is “nooit” een niet te bevatten begrip. Ja, “de dood geeft stof tot nadenken… en we denken liever niet” (Harrie Jekkers). Dat laatste geldt echter niet voor mij. Ik weet nog dat ik als kind in bed regelmatig lag te denken aan het idee dat je op een dag dood bent en dat dat het dan was. Dat ik dit deed, kwam door mijn vader die mij als overtuigd atheïst - en ironisch maar waar juist daarom een duidelijke angst voor de dood kende - altijd voorhield dat er na de dood verder helemaal niets meer was.
Het steeds maar doordenken over de dood was een hele vreemde gewaarwording, aangezien ik mijn hersenen kon pijnigen wat ik wilde maar ik daarmee toch nooit het punt zou bereiken waarop het idee dat ik na mijn dood nooit meer zou leven opeens wel te bevatten was.
Okay, dus als ik het goed begrijp zal ik na mijn dood tot in den eeuwigheid gewoon NOOIT meer leven. Sorry mate, but That was All Folks! Hope you’ve enjoyed it! Geen wonder dat de mens religie heeft uitgevonden. Moeten wij ons er anders dan maar als makke lammetjes bij neerleggen dat alles ophoudt met de dood? No Way!
 

Stan en Ollie, Cheet en Ly en Dagobert en Simba

Tijdens het graven van Ollie’s graf moest ik goed uitkijken dat ik niet per ongeluk op een van de vorige vijf graven stuitte. Van mijn overleden katten op dit adres is Ollie inmiddels al nummer zes. Na zusje Stan, poezen Cheet en Ly en katers Dagobert en Simba. Ik hoop maar dat ik nu voorlopig even niet meer hoef te graven. Onze overgebleven katten zijn zeven (Dony) en ruim één jaar oud (Tijgertje en Bazinga).  
 

Het leven vergeet velen, de dood geen een

Ondanks dat je net als Woody Allen mooi zou kunnen redeneren dat de dood niet bestaat, omdat de dood een toestand van niet-bestaan is en wat niet is niet bestaat, kan ik net als ieder mens niet om de dood heen: “Het leven vergeet velen. De dood geen een.” Een mooi citaat van de Duitse schrijver en dichter Hans-Hermann Kersten (1928-1986) die ironisch genoeg zelf het zekere voor het onzekere nam en zelfmoord pleegde.
Ja, ook ik weet dat de dood bij het leven hoort en niemand het eeuwige leven heeft et cetera, maar geen enkel cliché houdt mij af van het vreemde, onwerkelijke, niet te bevatten gevoel dat ik echt nooit ofte nimmer een overleden dierbare meer zal terugzien.
En dat is toch wel een hele treurige gedachte.

Ik zou er haast gelovig van worden. 
 
 



Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 

₁ Boeiend detail over het falsificationisme van Karl Popper is dat het ernaar uitziet dat de beroemdste wetenschapsfilosoof van de eenentwintigste eeuw zijn theorie niet zozeer zelf heeft bedacht als wel dat hij deze heeft gebaseerd op gegevens van een van zijn leermeesters, de in 1943 in Auschwitz omgekomen joods Duitse filosoof en psycholoog Otto Selz.
 
Ollie (foto: Tonko)
    

woensdag 9 september 2015

206. Het profiel van een potentiële zelfmoordenaar

Actualiteit - Depressiviteit - Zelfmoord

 



De zelfmoordenaar wil niet dood

Natuurlijk komt de zelfmoord van schrijver Joost Zwagerman als een grote schok voor zijn directe omgeving (en anderen). Toch kun je er niet omheen dat Zwagerman behoort tot die groep mensen waarvan je kunt stellen dat het risico op zelfmoord er altijd in heeft gezeten.
Cru gezegd had Joost Zwagerman het profiel van een potentiële zelfmoordenaar: zeer intelligent, begaafd, creatief, schrijver van boeken met terugkerende thema’s als de dood en zelfmoord, met een leven met - in zijn eigen woorden - “meer dan gemiddelde tegenspoed” (behalve een scheiding de plotselinge dood van diverse vrienden, waaronder de zwaar depressieve dichter Rogi Wieg die een paar maanden geleden ervoor koos door middel van euthanasie uit het leven te stappen) en kind van iemand die niet meer verder wilde leven (zijn vader deed ooit een mislukte zelfmoordpoging).  
Zeker achteraf gezien waren in het werk en leven van Zwagerman genoeg signalen te vinden die wezen op het risico van een zelfmoord. Al blijft er natuurlijk (gelukkig) altijd nog een groot verschil tussen het bij iemand signaleren van zwaarmoedige, depressieve buien en het daadwerkelijk uitvoeren van de ultieme wanhoopsdaad. Mede omdat er waarheid zal zitten in de uitspraak van zijn inmiddels overleden suïcidale vriend Wieg:
"De zelfmoordenaar wil niet dood; hij wil een ander leven."
 

(Existentiële) Depressies en zelfmoord onder creatieve mensen

Wat is het toch dat depressies en zelfmoord onder creatieve mensen meer dan gemiddeld lijken voor te komen? Denk daarbij aan beroemde zelfmoorden als bijvoorbeeld die van Ernest Hemingway (schrijver) en Vincent van Gogh (schilder) of meer recent die van Kurt Cobain (musicus) en Robin Williams (komiek, acteur).  
Om te beginnen moet begrepen worden dat het bij depressies van slimme, creatieve mensen meer dan gemiddeld kan gaan om een of andere vorm van existentiële depressie. Verschil met een “gewone” depressie: bij een existentiële depressie maken filosofische levensvragen de persoon somber. Wie ben ik, wat doe ik hier, wat is het nut van het bestaan etc.? Mensen die last hebben van een existentiële depressie kunnen zich heel nietig voelen, angsten hebben door het besef dat het leven vergankelijk is en eraan twijfelen of er wel iets is na de dood.
 

Verband tussen creativiteit en depressiviteit: diverse theorieën

Over het verband tussen creativiteit en aanleg tot depressies ben ik diverse theorieën tegengekomen. Zo zouden creatieve mensen meer tobben en malen en minder in staat zijn om de wirwar van gedachten en binnengekomen informatie- waaronder dus ook alle negatieve ervaringen - te ordenen en (weg) te filteren.
Ook zouden ze meer moeite hebben met focussen. Terwijl onderzoek heeft uitgewezen dat mensen gelukkiger zijn naarmate ze beter in staat zijn zich te focussen op datgene waar ze op dat moment mee bezig zijn. Omdat creatieve mensen vol met gedachten en ideeën zitten, dwalen ze sneller af met als risico dat ze door al die innerlijke onrust veel ideeën nooit realiseren en achterblijven met diverse onafgeronde projecten.
Een hierop aansluitende theorie luidt dat creatieve mensen meer dan gemiddeld idealistisch en perfectionistisch zijn, waardoor ze vroeg of laat kans maken te moeten constateren dat hun dromen over idealen en perfectie toch nooit zullen uitkomen. Dat dit alles kan leiden tot de nodige desillusies, frustraties en depressieve gevoelens moge duidelijk zijn. Hoe hoger je verwachtingen van het leven zijn, hoe ongelukkiger je tenslotte zult worden (zie ook column 99).
Een meer voor de hand liggende theorie over het verband tussen creativiteit en depressiviteit luidt dat creatieve beroepen zoals die van schrijver de kans op depressiviteit vergroten, omdat je veel tijd alleen doorbrengt en zodoende - bewust dan wel onbewust - de eenzaamheid opzoekt.
Dat daarbij vaak wordt doorgewerkt tot in de late uurtjes en slaaptekort kan ontstaan, is ook niet bepaald bevorderlijk voor de gemoedstoestand. Al kun je je hierbij natuurlijk afvragen wat het eerst komt: de depressie of het creatieve beroep. Wie eenzaam en alleen is en last heeft van depressieve gevoelens zou er tenslotte voor kunnen kiezen om alles van zich af te schrijven en aldus auteur te worden.
 

Denkers

Afgezien van genoemde theorieën heb ik zelf ook zo mijn eigen gedachten hierover. Met enig recht van spreken denk ik, aangezien ik zelf ook een creatief persoon ben die regelmatig last heeft van (existentiële) depressieve gevoelens.
Onder intelligente, creatieve mensen bevinden zich veel denkers: mensen die veel nadenken en doordenken over de wereld om zich heen. Hoe leuk en aardig dit ook klinkt en hoeveel voordelen dit ook heeft op creatief gebied, is er natuurlijk ook een keerzijde.
Wie veel nadenkt en doordenkt en analyseert over hoe de wereld in elkaar steekt, zal eerder stuiten op de negatieve kanten ervan. De wereld zoals die tot ons komt, is in het algemeen nu eenmaal een stuk mooier dan de werkelijkheid.
De reden hiervoor is simpel: vanuit een overlevingsmechanisme doet de mens zich naar de buitenwereld toe altijd veel mooier en gelukkiger voor dan hij is. Kijk daarbij alleen al naar het wereldje van daten en relaties, solliciteren en werk (de politiek!) en vriendschappen en familie.
Wie bijvoorbeeld Facebook op een luchtige manier benadert en bekijkt, kan daar heel vrolijk van worden. Overal zie je tenslotte gelukkige mensen, omgeven door gelukkige partners, kinderen, familie en vrienden, met een glas wijn of bier in de hand, op vakantie, op een feest, op een barbecue etc.
Wie echter nadenkt en doordenkt en zich gaat verdiepen in wat er precies achter de oppervlakte schuilgaat, zal snel stuiten op de minder rooskleurige kant van het leven. En dan blijken al die gelukkige mensen ineens een stuk minder gelukkig te zijn dan ze doen overkomen.
  

Woody Allen

Hoe meer je aan de oppervlakte blijft, hoe gelukkiger je zult zijn. Het doet me denken aan de film “Magic in the Moonlight” (2014) van Woody Allen. De film draait om een slimme, op en top rationele, beetje nukkige en cynische goochelaar die het maar niet voor elkaar krijgt om een aantrekkelijke vrouw, die beweert paranormaal te zijn, te ontmaskeren.
Bij de gedachte dat de spirituele wereld waar hij nooit in heeft geloofd misschien wel degelijk bestaat, ontdooit de man en wordt hij verliefd en gelukkig. Jammer helaas (spoileralert!) dat de vrouw later in de film wel degelijk een bedriegster blijkt te zijn.  
Moraal van het verhaal: je wordt er gelukkiger van om mee te gaan in het geloven van zaken die soms te mooi lijken om waar te zijn (wat ook klopt) dan dat je koste wat het kost de harde waarheid wilt achterhalen.

Bless the ignorant, of zoals de Belgische schrijver Ward Ruyslinck ooit zei: “In de onwetendheid kan men volmaakt gelukkig zijn.” 
 

Verdrietig

Zonde dat Joost Zwagerman me niet meer kan vertellen of hij het een en ander herkent uit mijn verhaal. Ik ben benieuwd waar hij is en óf hij (nog) is. Levensvragen waar Zwagerman vermoedelijk zelf ook mee worstelde. Maar waar hij ook is of niet meer is, het blijft het zoveelste verdrietige einde van een begaafd en creatief mens.     
 




Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
Joost Zwagerman (foto: Wikipedia)
 

donderdag 3 september 2015

205. Één foto zegt meer dan duizend woorden

Actualiteit - Vluchtelingen - Kapitalisme 

 






Verdronken

Eén foto zegt meer dan duizend woorden: een klein jongetje met een rood T-shirtje en een kort blauw broekje ligt op zijn buik met zijn neus in het zand aan het strand. Zijn voorover gebogen houding doet denken aan de houding die je wel vaker ziet bij kindjes op die leeftijd die zo moe zijn dat ze spontaan voorover in slaap vallen. Heel schattig om te zien. Maar niet hier, want het jongetje slaapt niet, maar is dood. Verdronken.
 

World Press Photo of The Year

De foto van het aangespoelde levenloze lichaampje van het driejarige Syrische jongetje Aylan Kurdi uit Kobani gaat de hele wereld over en zal een symbool worden van de ellende van de oorlog en van de vluchtelingenproblematiek.
De foto zal straks wellicht de eerste prijs winnen bij de verkiezing van World Press Photo of The Year. Waarbij ik me dan altijd afvraag wat de fotograaf gaat doen met het prijzengeld. Ondanks dat ik begrijp dat fotografen ook moeten leven, zou ik nooit als "winnaar" prijzengeld willen aannemen voor het maken van zo’n foto. Ik zou het geld meteen weggeven aan een Vluchtelingenorganisatie.
Zoals zovelen wilde ook het gezin van Aylan - met verder nog zijn vader Abdullah, zijn moeder Rehan en zijn vijf jaar oude broer Galip - wegvluchten uit Syrië met als doel uiteindelijk bij familie in Canada aan te komen. Alleen de vader overleefde de botsing met een andere (ongetwijfeld overvolle) vluchtelingenboot. Zonder de aanwezigheid van reddingsvesten waren vooral de kinderen kansloos.
Helaas zijn er honderden, duizenden kinderen die eenzelfde wreed lot hebben (en nog zullen) ondergaan als Aylan. Alleen zijn daar (gelukkig) niet zulke “pakkende” foto’s van gemaakt.
 

Mensen indelen in twee groepen

Als ik moet samenvatten waar het kijkend naar alle oorlog en ellende op deze wereld in mijn ogen misgaat, is dat niet zo moeilijk.
Gechargeerd gezegd kun je mensen indelen in twee groepen en ieder mens kan voor zichzelf bepalen tot welke groep hij behoort. Of je behoort tot de "Ik denk vooral aan mezelf"-groep of je behoort tot de "Ik denk ook aan anderen"-groep.
Mensen uit de eerste groep hebben zeg maar een recht-van-de-sterkste-mentaliteit: het is ik of de ander. Zij hebben als uitgangspunt dat we in een harde wereld leven waarin jij 
(vaak uitgebreid met je familie en vriendjes) vooral moet pakken wat je pakken kan.
Mensen uit de tweede groep zijn minder egocentrisch en meer empathisch en hebben een sociale mentaliteit: ja, het is inderdaad een harde wereld, maar juist daarom moeten we ook aan anderen en vooral minder bedeelde mensen denken om goed met elkaar te kunnen leven (zie ook columns 110 en het drieluik 161, 162 en 163 ).
Grootste verschillen tussen beide groepen: de eerste groep houdt weinig tot geen rekening met de verschillen tussen mensen (het recht van de sterkste geldt tenslotte), de laatste juist wel (je vertoont solidariteit met de minder sterken en minder bedeelden). De eerste groep kijkt naar het individu (eventueel aangevuld met familie en vriendjes), terwijl de laatste groep meer kijkt naar de samenleving, en de mensheid als één geheel.
 

Karl Marx zou zich omdraaien in zijn graf

Kijkend naar onze wereld en naar hét (economische en ook politieke) systeem dat wereldwijd overheerst, namelijk het kapitalisme met zijn vrije markteconomie, kun je gerust stellen dat het recht-van-de-sterkste-principe overal in ons leven aanwezig is. De ongelijkheid tussen de rijken (de haves) en de armen (de haves not) op deze wereld is met dank aan het kapitalisme niet alleen gigantisch, maar deze verschillen worden met het jaar ook alleen nog maar groter en groter. Iets wat één van de grondleggers van het kapitalisme, de Schotse econoom en filosoof Adam Smith, niet voorzag gezien zijn uitspraak: "Wanneer individuen hun eigen belang nastreven in een vrije markt, worden ze als het ware geleid door een 'onzichtbare hand' die onbedoeld ook het algemeen belang bevordert." Een prachtige gedachte, maar o zo naïef kijkend naar de ongelijkheid die het kapitalisme heeft voortgebracht. Nee, wat dat betreft, heeft de eerste "Ik denk vooral aan mezelf"-groep niet te klagen in deze wereld.
Jammer echter voor de tweede, "Ik denk ook aan anderen"-groep, is dat de minderbedeelden op de wereld het een stuk moeilijker hebben (gehad). Niet dat er geen politieke systemen (hebben) bestaan die op papier heel gunstig waren voor hen. Nee, dat was het probleem niet. Maar de machtszuchtige, egocentrische leiders die deze systemen uitvoerden, waren dat wel. Ik praat hier natuurlijke over de diverse "communistische" (Sovjet-Unie, China etc.) en "sociale" (o.a. de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiderspartij) leiders die aan termen als "sociaal" en "klasseloos" en "gelijke verdeling" een hele andere, eigen invulling gaven, waardoor ze geen haar beter waren dan hun kapitalistische tegenhangers. Als bijvoorbeeld Karl Marx, de man achter de communistische ideologie, zou weten wat er in de praktijk met zijn  gedachtegoed is gedaan, zou hij zich omdraaien in zijn graf...
Wie wil weten hoe zo'n proces verloopt waarin leiders met schijnbare goede "sociale" bedoelingen en "idealen" eenmaal aan de macht veranderen in genadeloze dictators, moet maar eens het boek "Animal Farm" (1945) van George Orwell lezen: een prachtige persiflage op de Russische Revolutie in 1917!

Noem me naïef en goedgelovig

Wat ik ironisch aan dit verhaal vind, is dat je veel (streng) gelovigen ook gerust kunt rekenen tot de "Ik denk vooral aan mezelf"-groep, terwijl je dat niet zou verwachten. Oké, misschien kun je in het geval van gelovigen "mezelf" veranderen in "mezelf en mijn medegelovigen", maar het principe is hetzelfde: je denkt niet aan anderen die verder van jou af staan of die minder bedeeld zijn of die in ergere situaties verkeren dan jij.   
Noem mij gerust naïef en goedgelovig, maar ik verwacht juist van gelovigen dat ze opkomen voor de minderbedeelden in de samenleving. Maar als deze redenering zou kloppen, zouden wij in deze wereld natuurlijk helemaal geen vluchtelingenproblematiek hebben, aangezien je gerust kunt stellen dat de kern van de deze problematiek een gevolg is van het onvermogen van mensen om vreedzaam met verschillen (in religie, etniciteit, cultuur, sekse, taal etc.) om te gaan. Als de gehele mensheid zich zou bevinden in de "Ik denk ook aan anderen"-groep zouden er nergens oorlogen en vluchtelingen zijn.
 

Cynisch maar waar

Zoals wel vaker met problemen is de vraag waar het fout gaat minder moeilijk te beantwoorden dan hoe het moet worden opgelost. Zo lang als de meerderheid van de mensheid kiest om te behoren tot de groep waar het recht van de sterkste geldt, zullen er helaas nog heel veel Aylans gaan aanspoelen op prachtige toeristische stranden. Cynisch maar waar.

Met tranen in mijn ogen rouw ik om Aylan en om alle Aylans die er zijn geweest en nog gaan komen.
 





Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
 
 

maandag 31 augustus 2015

204. Moet ik Dafne Schippers geloven?

Actualiteit - Sport - Doping 
 





Als witte atleet toetreden tot wereldtop sprint

Dafne Schippers heeft op de WK atletiek in Peking iets gedaan wat lang voor onmogelijk werd gehouden: als Nederlandse én witte atleet toetreden tot de wereldtop van de koningsnummers honderd en tweehonderd meter sprint. Haar tijd van 21,63 seconden op de tweehonderd meter is zelfs de derde tijd ooit gelopen.
Eerste interessante vraag die bij mij opkomt, is de vraag waarom zwarte atleten beter presteren in de sprint dan witte atleten. In de loop der jaren zijn hier diverse mogelijke verklaringen voor gegeven. Zo zouden zwarte mensen gemiddeld (een) iets:  langere achillespezen, kortere kuitspieren, hogere testosteronproductie, lager vetgehalte en
meer spieropbouw hebben.
De laatste theorie luidt dat het lichaamszwaartepunt (rond de navel) bij zwarte mensen iets hoger ligt, wat in het voorover vallen tijdens sprinten net het nodige voordeel kan opleveren. Troost voor de witte mensen: hun torso is gemiddeld iets groter dan zwarte mensen waardoor zij gemiddeld weer harder zullen zwemmen.
 

Het D-woord

Wat iedereen in de atletiekwereld kan verwachten die ogenschijnlijk vanuit het niets opeens tot de wereldtop doordringt, overkomt Dafne nu ook: sommige mensen gaan vraagtekens plaatsen bij haar prestaties en dus is het onvermijdelijk dat het D-woord weer valt.
Zelfs Dafne moet - of ze het nu fijn vindt of niet - erkennen dat dat niet vreemd is. Wie kijkt naar de recente historie van de atletiek ontkomt met geen mogelijkheid aan het onderwerp doping. Kijk bijvoorbeeld alleen al naar het onlangs verschenen onderzoek van de Britse krant “The Sunday Times” en de Duitse televisiezenders ARD/WDR.  Op basis van gelekte resultaten van 12.000 tussen 2001 en 2012 bij Olympische Spelen en WK's afgenomen bloedtests bij meer dan 5000 atleten bleek dat bij ruim achthonderd atleten abnormale tot zeer verdachte bloedwaarden waren aangetroffen. Van de medaillewinnaars in deze periode viel een derde in deze verdachte categorie.
Ook het feit dat veel van de concurrenten van veelvuldig gouden medaillewinnaar op de honderd en tweehonderd meter sprint Usain Bolt een dopingverleden hebben, geeft te denken. Net als dat je niet blij wordt van de hoeveelheid op doping betrapte Jamaicaanse landgenoten van Bolt in de laatste jaren.
 

Usain Bolt en het voordeel van de twijfel

Natuurlijk moet je Usain Bolt het voordeel van de twijfel geven zo lang als hij niet betrapt is op doping. Iedereen is tenslotte onschuldig zo lang als het tegendeel niet is bewezen.
Maar wie net als ik graag een beetje doordenkt, ontkomt er in dit soort gevallen niet aan om in elk geval te kijken naar de mate van waarschijnlijkheid: hoe waarschijnlijk is het dat verreweg de snelste man op aarde geen doping heeft gebruikt, terwijl de meeste van zijn directe concurrenten met minder snelle tijden wél zijn betrapt op doping?
Het enige wat ik hierbij kan hopen, is dat Bolt een supertalent is dat maar héél weinig voorkomt en/of dat hij veel harder traint dan zijn concurrenten.
 

De beste topsporters zijn ook vaak de slimste

Aan de andere kant houd ik er ook rekening mee dat het geen toeval is dat wel vaker de besten niet betrapt worden op doping. Ik heb hier zo mijn eigen simpele theorie over: de beste topsporters zijn ook vaak de slimste en meest perfectionistische. Zij zullen om de beste te worden niks aan het toeval overlaten en dat geldt dus ook voor hun dopinggebruik, waarbij alles in het teken zal staan van het voorkomen van risico's die hun dopinggebruik aan het licht zouden kunnen brengen. Dat dit een hoop slimheid en sluwheid vergt, mag duidelijk zijn.
Zo ben ik ervan overtuigd dat de slimme, perfectionistische Lance Armstrong nooit op doping zou zijn betrapt als hij niet de "pech" had gehad dat hij een teamsport beoefende, waarin het succes van zijn bedrog voor een zeer groot deel afhing van het zwijgen van zijn teamgenoten. Controlefreak Armstrong had alles perfect onder controle behalve dat ene kwetsbare aspect. Wat hem uiteindelijk dus ook de kop kostte.
 

Dreigend verlies van controle: Florence Griffith-Joyner

Met meer mensen vermoed ik dat het dreigende verlies van controle ook de reden was dat de Amerikaanse sprintster Florence Griffith-Joyner opeens onverwacht stopte met atletiek. Met tranen in haar ogen deed ze deze aankondiging tijdens een persconferentie een paar maanden na de voor haar zo succesvol verlopen Olympische Spelen van Seoul in 1988. Ook wel bekend als de Spelen waarin de Canadese winnaar van de honderd meter sprint bij de mannen, Ben Johnson, werd betrapt op het gebruik van anabole steroïden.
Gevolg van het Ben Johnson-schandaal was dat er snel plannen werden gemaakt voor het in de atletiek invoeren van onverwachte dopingcontroles. Of het toeval is dat “Flo-Jo” zich net op dit moment besloot terug te trekken of dat het haar gewoon te heet onder de voeten werd, zullen we nooit weten.
Net als dat we nooit zullen weten of haar fabuleuze, tot de op de dag van vandaag (27 jaar later!) nooit verbeterde wereldrecords op de honderd en tweehonderd meter slechts het resultaat zijn van puur talent of dat er meer “hulp” voor nodig was.
Maar verdacht is het allemaal wel en dat werd het des te meer toen Florence Griffith-Joyner heel plotseling in 1998 op 38-jarige leeftijd in haar slaap overleed. “Door verstikking bij een epileptische aanval” luidde de officiële doodsoorzaak. Of langdurig gebruik van anabole steroïden - wat in het ergste geval kan leiden tot hartfalen - een mogelijke doodsoorzaak kan zijn geweest, zullen we waarschijnlijk nooit komen te weten. 
 

Verdomd lastig

Ik moet eerlijk bekennen dat ik vóór de successen van Dafne Schippers ervan overtuigd was dat het een illusie was om schoon een medaille op de sprint te winnen. En nu ben ik alleen maar aan het hopen dat ik mij hierin blijkbaar heb vergist.
Dolgraag wil ik geloven dat Dafne schoon tot haar wereldprestaties is gekomen. Hierbij probeer ik me ook in te leven in het gevoel hoe vreselijk frustrerend het moet zijn om op een hele normale manier zonder dopinggebruik te winnen, terwijl je weet dat er altijd mensen zullen zijn die je blijven wantrouwen.
Maar laten we eerlijk zijn: het is ook zo verdomd lastig. Moet ik Dafne simpelweg geloven omdat ze zo overtuigend verklaart honderd procent dopingvrij te zijn en ze op mij overkomt als een gewone aardige, nuchtere Hollandse meid die er alleen maar “knetterhard” voor heeft getraind? Of is het ontzettend naïef van me om te denken dat zo'n sympathieke Nederlandse sporter als Dafne Schippers nooit doping zal hebben gebruikt, terwijl het een feit is dat er onder haar concurrenten (met soms minder scherpe tijden) wel degelijk dopingzondaars zitten. Alsof “wij Nederlanders” daar te braaf voor zijn of zo (zie ook columns 165 en 166).
 

Ik wil geloven

Ik weet het allemaal niet. Maar ik weet wel dat als ik iedereen in het sportwereldje zou moeten geloven die be(z)weert dat hij/zij dopingvrij is dat ik dan mezelf compleet belachelijk (naïef) zou maken.
Maar totdat het tegendeel is bewezen, ga ik iets doen waartegen ik me in mijn columns regelmatig afzet: voor deze ene keer wil ik geloven, en wel in de onschuld en het supertalent van Dafne Schippers. En dus zal ik hierover voorlopig geen kritische opmerkingen meer maken.
Maar hoe het me ook voor Dafne spijt zal ook zij mij - kijkend naar de feiten - niet kunnen verwijten dat ik op het gebied van dopinggebruik in de sport voor niemand mijn hand in het vuur zal durven te steken.

Stel je eens voor straks: Een (Nederlandse!) dopingvrije Olympisch kampioene op de honderd en tweehonderd meter sprint, wie had dat ooit gedacht?







Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


Foto: Wikipedia
 

vrijdag 28 augustus 2015

203. Ik walg vaak van advocaten

Actualiteit - Rechtspraak - Rechtvaardigheid - Waarheid 

 




Filosofie en de waarheid: de correspondentietheorie

Filosofisch als ik ben, wil ik altijd de waarheid weten. Ik behoor tot de filosofen die geloven dat er een objectieve waarheid bestaat. In mijn eigen woorden heel simpel geformuleerd: die objectieve waarheid is er, die zweeft daarbuiten ergens rond en het is voor de mens de kunst om die te vinden. Of niet, want vaak genoeg zal de mens daar niet in slagen. Deze waarheid is geheel onafhankelijk en staat los van het menselijk bewustzijn.
Met deze overtuiging kom je in de filosofie al snel terecht bij de correspondentietheorie: een bewering is waar als deze correspondeert met de werkelijkheid. Waarbij men er dus duidelijk van uitgaat dat dé (objectieve) werkelijkheid moet bestaan.
De Griekse filosoof Aristoteles (384 - 322 v. Chr.) zou je kunnen beschouwen als de grondlegger van de correspondentietheorie getuige zijn uitspraak over de waarheid: "Waar is, van iets dat zo is, te zeggen dat het zo is, en van iets dat niet zo is, te zeggen dat het niet zo is."

Naast de correspondentietheorie bestaan er nog meer theorieën over de waarheid, waarvan de bekendste de coherentietheorie is: een bewering kan pas waar zijn als die coherent is met eerder gedane beweringen.
 

Ongeschikt voor functie van advocaat

Behalve dat ik een enorme drang heb naar het willen weten van de waarheid beschik ik ook over een heel sterk rechtvaardigheidsgevoel. Wat niet vreemd is, aangezien ik denk dat beide met elkaar zijn verbonden. Wie veel waarde hecht aan rechtvaardigheid, zal over het algemeen ook veel waarde aan de waarheid hechten en wie veel waarde hecht aan de waarheid, maakt grote kans om ook veel waarde aan rechtvaardigheid te hechten.
Met mijn voorliefde voor zaken als waarheid, rechtvaardigheid, eerlijkheid en integriteit zou ik totaal ongeschikt zijn voor de functie van advocaat. Hoe anders en vooral romantischer de wereld van de advocatuur ook in televisiefilms en -series wordt neergezet, weet iedereen met enige juridische kennis dat het helemaal niet de taak van advocaten is om zich bezig te houden met de waarheid en waarheidsvinding met als doel het bereiken van rechtvaardigheid.
De taak van een advocaat is veel simpeler: hij moet ervoor zorgen dat zijn cliënt - en inkomstenbron - tijdens de rechtszaak er met zo’n gunstig mogelijke uitspraak van de rechter vanaf komt. Met vrijspraak als meest ideale uitkomst. En dit alles ongeacht of de cliënt schuldig is of niet. Want dat is tenslotte niet het probleem van de advocaat, maar van zowel de openbaar aanklager als de rechter (en “last but not least” de maatschappij!) die wel geacht worden aan waarheidsvinding te doen.
Als een advocaat zijn schuldige cliënt vrij krijgt, heeft hij het uitstekend gedaan en verdient hij zijn riante salaris dubbel en dwars. En precies zo zal hij - al is het alleen maar om zijn geweten te sussen - redeneren. 
 

Bespottelijke verklaringen

Afgelopen week verklaarde Sophie David, advocaat van de 26-jarige Marokkaan Ayoub El Khazzani die op donderdag 21 augustus in de Thalys van Amsterdam naar Parijs om zich heen was gaan schieten met een kalasjnikov, maar daarbij al snel overmeesterd werd door een aantal omstanders, dat hij dit niet had gedaan uit terroristische motieven. Haar cliënt was slechts een arme man op zoek naar eten, wat hij hoopte te kunnen kopen van het geld dat hij zou gaan “verdienen” met een overval in de Thalys.
Ik zou me mijn ogen uit mijn kop schamen als ik dit soort bespottelijke verklaringen namens mijn cliënt - en dus niet uit naam van futiliteiten als de waarheid of rechtvaardigheid - zou moeten gaan uitkramen.
 

Feiten zijn niet relevant

Ja, advocaat zijn van een onschuldige cliënt en hem vrij krijgen door tijdens de rechtszaak de openbaar aanklager en rechter stil te krijgen met haarscherpe analyses waar niets tegenin te brengen valt, lijkt mij ook geweldig. Maar helaas is de werkelijkheid een stuk minder romantisch: verreweg de meeste cliënten die advocaten verdedigen zijn gewoon schuldig.
Het enige wat de advocaten dan nog rest om te redden wat er te redden valt, is het spelen van vieze spelletjes met een hoop gelieg en gedraai om die o zo irritante waarheid die alles dreigt te verpesten. Waarbij werkelijk alles is geoorloofd, zo lang als het maar in het belang is van de cliënt.
Feiten zijn niet relevant, maar vormen slechts een uitdaging. Door links en rechts flink twijfel te zaaien en rookbommetjes op te gooien, maak je altijd kans dat de rechter zich genoodzaakt zal voelen om de feiten opzij te schuiven. 
 

Overal antwoord op

Had de Marokkaanse “verdachte” vlak voor zijn actie nog een jihadfilmpje op zijn mobiele telefoon bekeken (arm en hongerig en toch een mobiel?)? Ach, dat deed hij altijd als hij honger had, want dan was zijn eetlust meteen weg.
Had de “arme” man voor zijn reis een duur eersteklas treinkaartje van 149 euro gekocht? Ach, als treinliefhebber was het zijn grote droom om één keer in zijn leven eersteklas te rijden en dus besloot hij dit te doen van zijn allerlaatste centjes voor het geval de overval niet goed zou aflopen.
Had haar cliënt behalve een kalasjnikov nog 270 patronen, een negen millimeter pistool, een mes en een fles met benzine op zak? Ach, die wapens had hij toevallig gevonden in een park in Brussel en dat mes wilde hij alleen maar gaan gebruiken voor het smeren van de boter op zijn stokbrood die hij na de overval zou gaan kopen van zijn “verdiende” geld. En de benzine was enkel voor het weghalen van vieze vlekken op zijn kleren, want hij wilde er ondanks zijn armoede altijd netjes uitzien.
Ja, Sophie David zal namens haar cliënt ongetwijfeld overal antwoord op hebben/verzinnen. Ook op de lastige vraag hoe haar cliënt nou eigenlijk precies had gedacht weg te komen na het plegen van een "overval" in een rijdende trein op het traject Brussel Zuid-Parijs, waar tussendoor verder nergens wordt gestopt tot aan Parijs. 
 

Zonder waarheidsvinding geen rechtvaardigheid

Ik walg vaak van advocaten, en zeker van strafrechtadvocaten. Wie eerlijk en integer is, zal het in de advocatuur nooit redden. Mijn knagend geweten zou het in elk geval met geen mogelijkheid aankunnen. Niet dat je mij nu overigens zult horen beweren dat advocaten moeten worden afgeschaft. Dat advocaten als verdedigers van verdachten in elke beschaafde maatschappij moeten bestaan, besef ik maar al te goed.
Maar waar het in mijn ogen misgaat, is dat een maatschappij nog een stuk beschaafder zou zijn als de rechtspraak maar om één ding zou draaien: (het achterhalen van) de waarheid. Zonder waarheidsvinding geen rechtvaardigheid.
 

Voorstel: neem waarheidsvinding als uitgangspunt in rechtspraak

Nu lijkt de rechtspraak nog te vaak te gaan om een wedstrijd tussen de openbaar aanklager en de advocaat. Waarbij de eerste koste wat het kost de verdachte zo lang mogelijk wil opsluiten en de laatste koste wat het kost hem vrij wil krijgen. En dit alles ongeacht de (on)schuld van de verdachte.
Echte rechtvaardigheid bereik je niet door je tijdens een rechtszaak te focussen op “de wedstrijd” en je tegenstander. Enkel door je te focussen op het achterhalen van wat er feitelijk is gebeurd, komt rechtvaardigheid in zicht.
Daarom luidt mijn voorstel: neem de waarheid(svinding) als uitgangspunt in de rechtspraak en zie erop toe dat zowel openbaar aanklagers als advocaten alleen beweringen doen die corresponderen met de werkelijkheid. Dat vanuit dit kader/uitgangspunt de openbaar aanklagers opkomen voor de rechten van de gedupeerden en de advocaten voor de rechten van de verdachten is een vanzelfsprekendheid.

No more bullshit in court, stay focused on (finding) the truth!
 





Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

   
 

vrijdag 21 augustus 2015

202. Boeven vangen met boeven

Actualiteit - TV/Film/Docu - Klokkenluiders

 





Wim's dilemma

In het IKON-programma “De Wachtkamer” draait het om mensen die plaatsnemen in een wachtkamer om na te denken over een dilemma in hun leven. Van de week zag ik de aflevering met Wim van den Haak. Wim had in 2010 gewerkt bij het Waterschap Roer en Overmaas, waar het na een goed begin snel bergafwaarts ging toen hij eenmaal melding maakte van een aantal misstanden binnen het bedrijf. Wie weet hoe het meestal afloopt met klokkenluiders, kan het vervolg wel raden: Wim werd ontslagen.
Wim’s dilemma: aan de ene kant vindt hij dat hij het boek van zijn ontslag na al die jaren moet sluiten, maar aan de andere kant merkt hij dat er nog een hoop wrok en woede en een gevoel van onrecht in hem zit. “Door het uiten van een mening ben ik werkloos geraakt.” Over het onderwerp klokkenluiders heb ik al eerder columns geschreven: over Edward Snowden (zie columns 89 en 90) en over het zeer schrijnende geval van de veel minder bekende (wijlen) Arthur Gotlieb (zie column 151). 
 

Dit doen we al jaren zo

Wim ging zich bezighouden met de coördinatie van de vergunningen, een onderdeel waarmee hij in zijn vorige werk bij Rijkswaterstaat ook te maken had gehad. Wat Wim bevreemdde was dat hij soms te maken kreeg met het verlenen van vergunningen rondom projecten die Waterschap zelf uitvoerde. Hierbij ging Waterschap dus zowel over het aanvragen als over het beoordelen en verlenen van dezelfde vergunningen.
Toen Wim zich wat verder in deze materie verdiepte, kreeg hij al snel door dat het binnen het Waterschap heel gebruikelijk was dat bepaalde werkzaamheden waarvoor een vergunning moest worden afgegeven al gerealiseerd waren voordat de betreffende vergunning was verleend. “Dit doen we al jaren zo.” Wim besloot hierover een notitie te schrijven waarin hij voorstelde om voortaan geen vergunningen meer achteraf te verlenen, maar gewoon vooraf zoals het hoort.
Complimenten van collega's als “Jij bent goed bezig!” en “Prima stuk!” bleken achteraf vals dan wel sarcastisch bedoeld. De notitie bleek het begin van het einde. Het vervolg laat zich raden: Wim kreeg opeens allemaal onvoldoendes tijdens zijn functioneringsgesprek en mocht vertrekken. Iets waar Arthur Gotlieb als geen ander over had kunnen meepraten als hij nog had geleefd en geen zelfmoord had gepleegd (zie column 151).
 

De klokkenluidersregeling

Het is de vraag of je er om moet huilen of lachen, maar door diverse schandalen voelen (grote) bedrijven zich inmiddels geroepen om in hun reglement een artikel op te nemen over hoe om te gaan met integriteit en klokkenluiders.
Ook het Waterschap blijkt te beschikken over zo’n klokkenluidersregeling. Hierin staat keurig vermeld dat de ambtenaar die “te goeder trouw” (en wie bepaalt wat dat is, het bedrijf zelf?) vermoedens van misstanden binnen de organisatie uit hiervan geen nadelige gevolgen zal ondervinden.
Ah ja, dus om binnen een bedrijf structurele misstanden te voorkomen belooft datzelfde bedrijf via haar reglement dat wie daar melding van maakt helemaal nergens bang voor hoeft te zijn. Dat klinkt heel geruststellend.
Het is net zoiets als dat de FIFA via haar reglement zou garanderen dat wie “te goeder trouw” bij collega’s corruptie bespeurt en er intern melding van maakt zich nergens zorgen om hoeft te maken. Integendeel zelfs, want in zo’n geval zal FIFA-voorzitter Blatter je ongetwijfeld hoogstpersoonlijk komen bedanken en complimenteren met je scherpzinnigheid en oprechte betrokkenheid. En als je even geluk hebt, schuift hij je als dank dan ook nog wat (zwijg)geld toe…
 

Slecht teken

Een beetje bedrijf is natuurlijk ontzettend blij met een klokkenluider die ervoor zorgt dat misstanden de kop in kunnen worden gedrukt waardoor de organisatie er beter en gezonder uitkomt. Probleem is echter dat “een beetje bedrijf” helemaal geen klokkenluidersregeling nodig heeft, omdat het binnen zo’n bedrijf vanzelfsprekend is dat dergelijke praktijken niet worden getolereerd. Sterker: een beetje bedrijf, een beetje land, een beetje wereld (mijn Utopia) kent de term klokkenluider alleen maar in de betekenis van “persoon die de kerkklokken luidt”.
Oftewel, op het moment dat een bedrijf het nodig acht om een klokkenluidersregeling zwart op wit in het reglement op te nemen, lijkt me dat een slecht teken. Dan geef je als bedrijf dus in feite de volgende boodschap af: kom je misstanden tegen waarvan je vindt dat je die moet melden, doe dat gerust, maar we kunnen je niet garanderen dat we er blij mee zullen zijn. Wel hebben we hiervoor in navolging van de landelijke trend een regel ingevoerd waarin staat dat we er alles aan zullen doen om ervoor te zorgen dat je er geen nadelige gevolgen van zult ondervinden. 
 

Een schijnbescherming

Laten we eerlijk zijn: het is allemaal heel leuk en aardig zo’n klokkenluidersregeling, maar het biedt de klokkenluider natuurlijk geen enkele garantie. Het gaat hier slechts om een schijnbescherming.
Probleem is en blijft dat de kans altijd aanwezig is dat de personen achter de misstanden dezelfde zijn die in het bedrijf aan de touwtjes trekken en die bijvoorbeeld ook gaan over het goedkeuren van de invoering van een klokkenluidersregeling. En boeven vangen met boeven blijft nu eenmaal altijd lastig zo niet ondoenlijk.
Wim heeft een harde les geleerd: wie te goeder trouw melding van misstanden maakt, verliest (vrijwel) altijd. Zoals een advocaat mij ooit vertelde is het simpel: als een bedrijf van je af wilt, ben je kansloos. Lukt het niet linksom dan gaan ze wel rechtsom. Wat bij Wim ook gebeurde. De verklaring van het Waterschap over Wim’s ontslag luidde dat het "uiteraard" helemaal niets te maken had met zijn rol als klokkenluider maar dat hij gewoonweg slecht had gefunctioneerd. Een hypocriete dooddoener noem ik dat.

Lang leve de klokkenluidersregeling!
 





Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
IKON: De Wachtkamer
 

zondag 9 augustus 2015

201. Weten dat je slim bent, scheelt een hoop (2/2)

Privé - Familie/Gezin - Hoogbegaafd versus Hoogintelligent

 




Genieën met brilletjes

Om een paar redenen verbaasde het verhaal van de vader mij totaal niet. Ten eerste natuurlijk, omdat mijn zoon de laatste jaren ook zeer ongemotiveerd op school bezig is en we al hadden vastgesteld dat hij diverse overeenkomsten vertoonde met zijn zoon. Ten tweede, omdat ik inmiddels genoeg kennis over het onderwerp hoogbegaafdheid heb om te weten datje onder hoogbegaafden dit soort verhalen veel vaker hoort.
Wie bij hoogbegaafde kinderen denkt aan genieën met brilletjes die in alles wat ze doen uitblinken, die her en der klassen overslaan en uiteindelijk het gymnasiumdiploma binnenhalen met waanzinnig hoge cijfers, vergist zich. Zo dacht ik eerst ook over hoogbegaafden toen ik er nog helemaal niets vanaf wist.
 

Onderhuidse frustraties

Niet dat er niet van dit soort hoogbegaafde kinderen zullen rondlopen, maar dat is in elk geval wel een kleine minderheid. Zo blijkt om te beginnen slechts veertig procent van hoogbegaafden op VWO of gymnasium te zitten. Anders gezegd: zestig procent is lager opgeleid dan je op basis van hun intelligentie zou mogen verwachten.
Nee, een garantie op een rooskleurig toekomstperspectief met een vooruitzicht op een glansrijke carrière met veel succes, roem en rijkdom hebben (ook) hoogbegaafden bepaald niet.
Weliswaar is de verwachting dat ongeveer een derde van alle hoogbegaafden een goede en succesvolle baan zal krijgen, maar daar staat tegenover dat een derde deel een onopvallend leven met een hele gemiddelde baan zal leiden. Waar ter verduidelijking overigens natuurlijk helemaal niets mis mee is. Al denk ik persoonlijk wel dat het voor mens en maatschappij het best zou zijn als iedereen werk verricht dat zoveel mogelijk aansluit bij zijn kwaliteiten en potentie. Daar wordt iedereen tenslotte een stuk gelukkiger van. Maar dat is in Nederland - laat staan in de rest van de wereld - natuurlijk sowieso een illusie.
Deze groep hoogbegaafden met een onopvallend leven loopt echter wel kans om op latere leeftijd alsnog tegen problemen aan te lopen. Bijvoorbeeld omdat het om hoogbegaafden gaat die niet eens weten dat ze hoogbegaafd zijn en jarenlang rondlopen met onderhuidse frustraties die ze niet kunnen plaatsen. Totdat ze stap voor stap steeds meer zelfkennis krijgen en er ineens puzzelstukjes op hun plek beginnen te vallen. Met als gevolg dat ze naar hun omgeving toe veranderen. Ze krijgen meer zelfvertrouwen, worden mondiger en durven meer. Wat echter weer als nadeel heeft dat dit ook vaak gepaard gaat met meer conflicten en problemen.
Het resterende derde deel van de hoogbegaafden komt er het slechtst vanaf: zij leiden een soort twaalf-ambachten-dertien-ongelukken leven, waarin ze regelmatig te maken krijgen met problemen, conflicten, ontslagen en depressies. Waardoor sommigen zelfs helemaal aan de rand van de maatschappij belanden. 
₁Het beeld van de laatste twee alinea's komt overigens overeen met mijn eigen persoonlijke ervaringen. En bij de mensen om mij heen waarvan ik vermoed of weet dat ze hoogbegaafd zijn, zie ik weinig tot allesbehalve indrukwekkende carrières.


Negatieve associaties

Wie als ouder een ontzettend intelligent kind wil omdat hij verwacht dat dan de wereld aan zijn voeten ligt, kan beter hopen op een hoogintelligent kind dan op een hoogbegaafde koter.
Toen ik jaren geleden tot mijn verbazing erachter kwam dat hoogbegaafdheid een rol speelde in mijn leven, was ik in de eerste plaats vooral opgelucht omdat het zoveel verklaarde. Maar aan de andere kant besefte ik ook dat hoogbegaafdheid een zwaarbeladen term is die bij veel mensen negatieve associaties oproept (arrogant, zelfingenomen etc.). Dan kun je nog beter hoogintelligent zijn, dacht ik. Maar toen ik eenmaal de verschillen tussen hoogbegaafd (hb) en hoogintelligent (hi) onder ogen kreeg, wist ik in elk geval zeker dat ik niet in de laatste groep kon worden geplaatst.
 

Verschillen hoogbegaafd (hb) en hoogintelligent (hi)

Ik las bijvoorbeeld dat hi-kinderen vooral de antwoorden weten, geïnteresseerd zijn, rustig luisteren, goed opletten, uitstekend presteren, goede ideeën hebben, sociaal goed omgaan met leeftijdgenoten en tevreden zijn met zichzelf en zelfvertrouwen hebben. Terwijl hb-kinderen daarentegen vooral de vragen stellen, nieuwsgierig zijn, in discussie gaan, soms afwezig en dromerig zijn, lang niet altijd goed presteren, aparte ideeën hebben, sociaal vaak moeite hebben met leeftijdgenoten en zeer zelfkritisch en faalangstig kunnen zijn. 
In het eerste rijtje herken ik mij niet, in het tweede rijtje herken ik alles.
 

Het ideale schoonzoontype

Zoals ik dit lees en interpreteer gaan hoogintelligente mensen - een beetje gechargeerd gezegd - lekker met de flow mee, blijven ze overal keurig binnen de lijntjes en behoren ze overal tot de besten. Het zijn geen eigenzinnige types die regelmatig dwars tegen de stroom inzwemmen, regels en autoriteiten ter discussie stellen en met zeer afwijkende (out-of-the-box: vreselijke modeterm) ideeën komen. Ze worden niet gehinderd door zaken als non-conformistische gedachten, faalangst, tactloosheid, een extreem rechtvaardigheidsgevoel en een onvermogen tot het beheersen van smalltalkgesprekken.
Wederom een beetje gechargeerd gezegd, zijn het mensen die alles perfect volgens het boekje doen: ze halen de hoogste CITO-scores, de hoogste cijfers op het gymnasium, waarna een succesvolle carrière volgt waarin men van ideale werknemer al snel opklimt naar de top van het bedrijf. Een hoogintelligent persoon zou je misschien het best kunnen omschrijven als het ideale schoonzoontype.
Gezien de vele voordelen van hoogintelligentie kan ik mij goed voorstellen dat de meeste mensen het liefst zo zouden zijn en/of zulke kinderen hebben. Wie zou er nou niet voor tekenen als alles lekker op rolletjes verloopt en er geen vervelende problemen en conflicten spelen?
 

De zoveelste zinloze vader-zoondiscussie

Dat mijn oudste zoon - net als de oudste zoon van de vader die ik ontmoette - heel anders is dan het beschreven type van een hoogintelligent persoon, mag duidelijk zijn. Als zijn vader die zich hier ook niet in herkent, had ik ook niet anders verwacht.
Mijn zoon zit op dit moment zelfs in een fase dat hij zich afzet tegen alles wat met slim te maken heeft. Hij heeft niets met nerds die school leuk vinden en fantastische cijfers halen en hij beweert zich meer verbonden te voelen met HAVO-  en VMBO-leerlingen dan met VWO’ers. De tijd dat hij bij testen rond hb-niveau scoorde (zie column 135), ligt ver achter hem. Het is duidelijk dat hij zichzelf op dit moment allesbehalve als slim beschouwt. Wat je kijkend naar zijn resultaten hem misschien niet eens kunt verwijten.
Als zijn vader nu tegen hem zeggen dat hij een stuk slimmer is dan hij beseft, heeft totaal geen zin. Dan krijg ik alleen maar de zoveelste zinloze vader-zoondiscussie. Toch is het doodzonde. Écht slim zijn kun je alleen maar als je ook beseft dat je het bent en ernaar handelt. Weten dat je slim bent, scheelt een hoop. Op basis van mijn eigen ervaringen ben ik daar inmiddels van overtuigd.  
 

Nogal een verschil

Het grootste deel van mijn leven heb ik mezelf nooit als slim beschouwd en dus ook niet als slim gedragen. Wat niet vreemd is als je ooit HAVO en VWO met zesjes hebt doorlopen en je altijd eenvoudig werk op uitvoerend niveau hebt gedaan waarin je niet bepaald uitblonk (ook zesjes zeg maar). Pas vanaf het moment dat het woord hoogbegaafd met mij in verband werd gebracht en ik erachter kwam dat ik veel slimmer was dan ik dacht, werd ik wakker en begon ik me ook meer slim te gedragen (met al zijn voor- en nadelen, waaronder ontslagen en zo).
Het is nogal een verschil of je diverse gedachten en ideeën hebt die je niet hardop durft uit te spreken, omdat je weinig herkenning en begrip proeft of dat je dat ongeacht de response wel durft, omdat je weet dat wat jij denkt geen onzin is en dat dat juist jouw kracht is. Het is nogal een verschil of je denkt dat jouw neiging tot veel vragen stellen wijst op domheid (en je het dus vaak maar laat) of dat je weet dat dat juist een teken van slimheid is.   
 

Terugkeren naar zijn vroege jeugd

Ik verwacht dat alles goed komt met mijn zoon. Net als met de zoon van die andere vader, die ik in de toekomst nog wel eens vaker tegen het lijf hoop te lopen.
Wat mijn zoon voor heeft op mij op die leeftijd is dat hij ondanks zijn ontkenningsfase drommels goed weet dat hij behoorlijk slim is. En dit besef zal hem later verdomd goed van pas komen. Ook verwacht ik dat hij een stuk sneller in de fase zal belanden waarin ik pas na mijn veertigste terechtkwam. De verstandige fase waarin hij terugkeert naar de knul die hij voor zijn tiende was: nieuwsgierig, creatief, breed geïnteresseerd, betweterig en eigenwijs. Want wie wil weten wie hij in de kern is, moet terugkeren naar zijn vroege jeugd.

Ik spreek mijn zoon hierover later nog wel. En ik hoop dan op een pittige discussie. Wat een goed teken zou zijn...
 




Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
₁ Zie artikel "Hoogbegaafdheid werkt niet altijd goed" van Friederike de Raat in archief van NRC.nl (2002): http://vorige.nrc.nl/krant/article1526238.ece   

Bron: Fokke en Sukke 
 

vrijdag 31 juli 2015

200. Wat heeft het leven nog voor zin? (1/2)

Privé - Familie/Gezin - Hoogbegaafdheid

 




Totaal ongemotiveerd

Mijn oudste zoon blijft zitten in 5 VWO. Hij kreeg nog de mogelijkheid om via twee weken zomerschool en twee herkansingen alsnog over te gaan, maar daar zag hij vanaf. Hij voelde er niets voor om twee weken van zijn vakantie op te offeren met als risico dat hij het allemaal voor niets doet als hij (een van) die herkansingen niet haalt. “Want dan is al mijn motivatie voor volgend jaar ook meteen weg.” Ik begrijp hem niet. Maar aan de andere kant - hem kennende - ook weer wel.
Natuurlijk zijn er ergere dingen in het leven dan blijven zitten, maar daar gaat het mij ook niet om. Het probleem zit ‘m in zijn (de)motivatie.
Mijn zoon is de laatste jaren totaal ongemotiveerd. Hij houdt zijn huiswerk niet bij en komt regelmatig te laat op school waardoor hij zich zelfs al een keer bij de onderwijsinspectie heeft moeten melden.
Vorig schooljaar stond hij al slecht, maar trok hij de laatste maanden nog snel een eindsprint waardoor hij alsnog overging. Maar begin dit jaar waarschuwde ik hem er al voor dat die truc niet altijd zal werken, omdat je met deze methode het risico loopt op een dag te moeten concluderen dat je de eindsprint te laat hebt ingezet. En zo geschiedde. 
 

Het gevaar van een existentiële depressie

Niet alleen school vindt hij ontzettend stom, maar ook alles wat daarna nog gaat komen: studeren en dan vervolgens werken, werken en nog eens werken. Wat heeft het leven nog voor zin, vraagt mijn zoon zich af, als alles slechts hierom draait?
Als hij in zijn leven zo door blijft redeneren, ligt het gevaar van een existentiële depressie op de loer. Een begrip dat zijn vader, in tegenstelling tot heel veel anderen, helaas niet voor niets kent. Mijn zoon duidelijk proberen te maken dat - afgezien nog van het feit dat er altijd een kans bestaat dat hij later gewoon leuk werk vindt - er nog genoeg vrije tijd overblijft om je in uit te kunnen leven, richt weinig uit.
Mijn grote angst is dat zijn (de)motivatie komend jaar niet gaat veranderen of zelfs erger gaat worden, want dan zal hij van school af moeten en krijgt hij een serieus probleem. 
 

Moeilijke basisschooltijd

Kort geleden kwam ik een vader van een zoon tegen waarmee mijn zoon zeven jaar geleden een jaar in de klas had gezeten. Zijn oudste zoon was toen ongeveer twaalf en de mijne twee jaar jonger (Montessori-onderwijs met drie klassen in één). De twee mochten elkaar totaal niet. 
Een aantal jaren na dat schooljaar was ik de vader al eens tegen het lijf gelopen en kwamen we in de loop van het gesprek er steeds meer achter hoeveel overeenkomsten onze (oudste) zoons hadden. Eigenlijk leken ze qua profiel en karakter behoorlijk veel op elkaar. Wat wellicht verklaarde waarom ze zo met elkaar botsten. Dat gebeurt tenslotte vaker met mensen met een zelfde soort (moeilijk) karakter.
Onze zoons hadden beiden een moeilijke basisschooltijd gehad met problemen in het contact met anderen en bij beiden was na onderzoeken duidelijk geworden dat hoogbegaafdheid hierin een rol speelde.
Nu ik de vader opnieuw na lange tijd weer zag, vroeg ik natuurlijk aan hem hoe het met zijn oudste zoon ging. Ik kreeg een bijzonder verhaal te horen wat mij echter niet verbaasde.
 

HAVO-klas voor schooldropouts

Na een aantal jaren op het VWO te hebben gezeten, vertoonde zijn zoon steeds meer motivatieproblemen waardoor hij op een gegeven moment werd teruggezet naar de HAVO waar hij vervolgens bleef zitten. Toen hij een jaar later echter nog steeds ongemotiveerd bezig was en opnieuw bleef zitten, ontstond er een probleem. Twee keer na elkaar blijven zitten mag niet en dus moest hij van school af.
Vervolgens kreeg de zoon door dat hij een serieus probleem had aangezien andere scholen hem weigerden aan te nemen. Uiteindelijk kregen ze een reddingsboei toegeworpen door een school die toevallig net het plan had opgevat om als proef een HAVO-klas voor schooldropouts te starten. Het initiatief speelde in op een behoefte die er in en rondom Amsterdam blijkbaar was ontstaan door een overschot aan dropouts die geen school meer konden vinden.
Dat zich voor deze HAVO-klas veel meer kinderen hadden aangemeld dan konden worden geplaatst, moge duidelijk zijn. En dus moest zijn zoon een handgeschreven motivatie inleveren waarin hij uitlegde waarom ze toch echt hem moesten aannemen en niet een ander. Zijn zoon begreep het belang van deze motivatie en had een zeer persoonlijke brief geschreven waarin hij zich heel eerlijk, open en kwetsbaar opstelde over zijn situatie en zijn gevoelens hierover. De brief bleek zijn redding. Hij werd aangenomen en krijgt nu alsnog de kans om de HAVO succesvol af te ronden.
 
Hierna volgt deel 2.
 





Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
 

donderdag 30 juli 2015

199. Niet liefde maar verliefdheid maakt blind

Privé - Familie/Gezin - Liefde/Vriendschap

 





Donderslag bij heldere hemel

Hoe de relatie tussen mijn tweede zoon en zijn leuke vriendin (die ik wel vrij aardig kende) eindigde, was een heel ander verhaal dan bij mijn oudste zoon en zijn vriendin. Ik vond hen met elkaar een heel leuk stel en ze leken ongeacht hun jonge leeftijd al zeer goed bij elkaar te passen.
Daar waar mijn oudste zoon zijn vriendin pas een paar maanden had, was het bij mijn jongste zoon inmiddels al een jaar aan. Ergens ver weg in mijn romantische achterhoofd hoopte ik zelfs dat de droom die ik vroeger altijd had, voor mijn zoon wel zou uitkomen: trouwen met je eerste echte (jeugd) vriendin en tot de dood toe gelukkig bij elkaar blijven. Natuurlijk een ontzettend naïeve maar ook mooie gedachte die slechts voor weinigen werkelijkheid zal (zijn ge-) worden.
Elke week als mijn zoon en zijn vriendin bij mij waren, lagen ze met z’n tweetjes heerlijk verliefd op de bank te kroelen. Opvallend genoeg zelfs tot de laatste keer dat ik haar zag. Toen mijn zoon de week daarop bij zijn moeder was, hoorde ik echter plotseling dat zij het had uitgemaakt, wat voor mij als een donderslag bij heldere hemel kwam. Ik vond het verdrietig nieuws en had vooral enorm met mijn zoon te doen.
 

Waarom vrouwen dat doen weet niemand

Als bij een echt getrouwd stel bleek ook bij hen al de onvermijdelijke fase te zijn bereikt waarin er soms gekibbeld werd, irritaties werden uitgesproken en flink ruzie werd gemaakt... Waarom vrouwen dat doen, weet niemand (Herman Finkers) ... maar leuk is anders.
Volgens mijn zoon ontstond er vaak irritatie op momenten dat hij voelde dat er iets was en hij ernaar informeerde en zij het boos ontkende. Bij vrouwen aanvoelen dat er iets is en ernaar vragen zou normaal gesproken extra bonuspunten moeten opleveren. Tenzij er natuurlijk van je wordt verwacht dat je drommels goed weet wat er aan de hand is. Ach, vrouwen. You can’t live with them…
Het gekibbel gecombineerd met het gevoel niet langer meer verliefd op hem te zijn, leek voor haar in elk geval de reden te zijn om het uit te maken.
Dat ze af en toe kibbelden, wist ik wel. Maar daar konden ze - in elk geval naar mij toe - zelf nog wel om lachen. Dat ook (zie deel 1, de column hiervoor: 198) mijn jongste zoon uitgesproken meningen heeft die voor zijn vriendin soms vermoeiend konden zijn, wist ik ook. Zij vond hem wat dat betreft - en ook in het algemeen - erg op mij lijken. Wat overigens absoluut niet vervelend was bedoeld, aangezien zijn vriendin en ik elkaar graag mochten. En ook hiervan konden zij en mijn zoon zelf wel de humor inzien.
Wat echter wel zeker zal hebben meegespeeld in het besluit om de relatie te beëindigen, was de verschillende kijk die mijn zoon en zijn vriendin hadden op de liefde.

 

De houden-van-fase

Toen zijn vriendin mijn zoon op een dag vertelde dat ze niet meer die verliefdheid voelde als in het begin, zei hij dat dat heel normaal was, omdat de stofjes in je hersenen die je het verliefdheidsgevoel bezorgen na verloop van tijd uitgewerkt raken. Je komt dan - als het goed is – terecht in de houden-van-fase, legde mijn zoon haar uit. 
Ik voelde me schuldig toen ik dit later van mijn zoon hoorde, aangezien ik wel weet hoe hij aan deze kennis komt. Die heeft hij van mij. Als vader deel ik graag mijn meningen, ervaringen en kennis met mijn kinderen en dat doe ik altijd zoals ik ben: open en direct. Taboes ken ik niet, alles is bespreekbaar. Omdat alle voordelen nadelen hebben (en andersom), besef ik dat mijn valkuil hierbij is dat ik soms te open en direct zal zijn. Maar liever dat dan dat ik te gesloten en ontoegankelijk ben, zeg ik altijd maar.
Ondanks dat ik niet kan voorkomen dat mijn kinderen in het leven te maken zullen krijgen met teleurstellingen, omdat deze nu eenmaal bij het leven horen en we daar allemaal mee om moeten leren gaan, probeer ik ze als vader wel her en der te voorzien van adviezen die hen kan helpen in het vinden van de juiste paden.
Zo heb ik al mijn kinderen al geadviseerd dat als ze later verliefd worden en aan trouwen denken ze geen haast moeten maken. Geniet ervan, ga samenwonen, neem rustig de tijd om elkaar door en door te leren kennen en dan heb je na een aantal jaren - tijdens de houden-van-fase - echt wel een aardig beeld van de kans van slagen om met die persoon lange tijd gelukkig te zijn of zelfs misschien oud mee te worden.
Niet liefde maar vooral verliefdheid maakt (in meer of mindere mate) blind en pas na verloop van de nodige tijd wordt - na de verliefdheidsfase - het zicht weer een stuk helderder. En ja, dan haal ik ook de wetenschap erbij die dit verhaal onderbouwt.

Blindelings trappen in de val die verliefdheid heet

Sommigen zullen mij nu wellicht betichten van het wegnemen van de romantiek, maar daar breng ik tegenin dat ik weinig mensen ken die romantischer zijn ingesteld dan ik. Juist omdat ik mijn kinderen een romantische relatie gun met iemand waarmee ze gelukkig oud worden, vertel ik ze dit (naschrift: inmiddels noem ik mezelf niet meer romantisch en ben ik een stuk realistischer geworden, al zal de romanticus in mij nooit helemaal verdwijnen, vermoed ik).  
Dat mijn zoon blijkbaar goed naar mij had geluisterd en het verhaal aan zijn vriendin had doorverteld, vond ik iets aandoenlijks hebben. Ik probeerde hem duidelijk te maken dat de meeste kinderen van zijn leeftijd (en zelfs menig volwassene) dit helemaal niet weten en dat je dat ook niet van ze kunt verwachten.
De gemiddelde puber wil gewoon relaxed links en rechts wat experimenteren, wat op het gebied van de liefde inhoudt: lekker verliefd worden, lekker zoenen en vrijen en als dat gevoel op een dag opeens weg is gewoon weer verder gaan zoeken. Dát is heel normaal gedrag voor pubers en dus ook voor zijn veertienjarige (ex) vriendin.
Mijn zoon moet beseffen dat hoe hij zelf denkt en redeneert over de liefde afwijkend is. Volwassen voor zijn leeftijd zou ik ook kunnen zeggen, ware het niet dat ook veel volwassenen (alsof ze nog pubers zijn) blindelings trappen in dezelfde val die verliefdheid heet.
Nee, met zijn eerste echte liefde zal mijn zoon niet eindigen, maar ik heb er wel alle vertrouwen in dat hij op een dag met een leuke schoondochter thuiskomt waarmee hij samen gelukkig oud wordt. Van zijn gescheiden vader weet hij in elk geval hoe het niet én - dus ook - hoe het wel moet.
 
Nu maar hopen dat zijn aanstaande schoonouders wel kinderen kunnen krijgen (Herman Finkers)...  





Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 
 

woensdag 29 juli 2015

198. Gelijk hebben versus gelijk krijgen

Privé - Familie/Gezin - Puberteit

 




Macho-achtig gedrag 

De afgelopen maanden zijn mijn beide puberzoons van zeventien en vijftien weer single geworden. De oudste maakte het zelf uit en de jongste zag zijn vriendinnetje hun relatie beëindigen.
Van mijn oudste zoon verbaasde het mij niet. Hij heeft zich de laatste jaren een houding aangemeten die wat oppervlakkig doch o zo typerend voor vele pubers is: lang leve de lol en vrijheid en weg met verplichtingen waar je aan vast zit. School is stom, het leven moet draaien om feesten, hangen met je vrienden en links en rechts wat meiden scoren. Waarbij het uiterlijk vanzelfsprekend een hele belangrijke rol speelt, want een beetje chick valt op een gespierd lichaam. En dus zijn goede voeding en een regelmatige gang naar de sportschool onontbeerlijk.
Ik kan nu stoer roepen dat je wel kunt zien dat hij mijn zoon is, maar wie mij kent zal hier hartelijk om moeten lachen. Met mijn “geloof” in de genen kan ik niet anders dan concluderen dat hij op dit punt meer van mijn ex-vrouw en haar familie heeft meegekregen dan van de mijne, waarin ik met geen mogelijkheid dergelijk macho-achtig gedrag terug kan vinden. 
 

Vermoeiend

Toch blijven er (gelukkig) genoeg andere kenmerken over waaraan ik kan zien dat hij wel degelijk mijn zoon is. Zoals bijvoorbeeld aan zijn uitgesproken meningen en zijn neiging om daarbij over van alles en nog wat in discussie te willen gaan en zijn gelijk te willen halen. Terwijl hij in zijn discussies met mij - “uiteraard” - altijd ongelijk heeft.
Met de vrees dat ik vroeger op dit punt misschien nóg erger dan mijn zoon was, besef ik nu pas hoe vermoeiend mijn ouders mij soms moeten hebben gevonden. Ook al zullen er nu ongetwijfeld bekenden roepen dat ik nog steeds zo vermoeiend ben, heb ik inmiddels wel een goed excuus. Waar ik vrees dat ik het vroeger nog wel eens bij het verkeerde eind had, geldt dat nu - uiteraard - niet meer.
Laten we zeggen dat dat de stap is die mijn zoon nog moet gaan maken: van uitgesproken meningen naar goed onderbouwde uitgesproken meningen. Overigens moeten die bekenden ook niet onderschatten hoe vermoeiend het kan zijn om door allemaal eigenwijze mensen voor eigenwijs te worden uitgemaakt…

Wie zwakte toont, redt het niet

De interessante vraag in deze kwestie is wat nou irritanter is: een zoon die denkt gelijk te hebben, maar dat niet heeft of een vader die (ervan overtuigd is dat hij) gelijk heeft, maar die nog steeds worstelt met de discrepantie tussen gelijk hebben en gelijk krijgen. Gelijk hebben versus gelijk krijgen: het lijkt op elkaar, maar het zijn natuurlijk twee compleet verschillende dingen.
De neiging om op momenten dat je weet dat je gelijk hebt dit koste wat het kost ook te willen krijgen, is even menselijk als zinloos. Iets waar ik even tijd voor nodig heb gehad om daarachter te komen en wat ik tot op de dag van vandaag “in the heat of the moment” nog steeds af en toe pleeg te vergeten. Zonde en vooral stom, want ik weet tenslotte al heel lang dat wij leven in een wereld waarin gebrek aan zelfkritiek een van de meest voorkomende menselijke eigenschappen is. Wat ook weer niet zo vreemd is als je bedenkt dat je zonder (veel) zelfkritiek veel verder komt in het leven.
Het zal een dierlijk overlevingsmechanisme zijn: wie zwakte toont, redt het niet. En elke vorm van zelfkritiek kun je - net als eigenschappen als kwetsbaarheid, eerlijkheid en bescheidenheid - in de menselijke strijd om de sterkste/fitste te zijn, gerust beschouwen als een zwaktebod. Wat voor apen geldt voor hun plek op de apenrots geldt precies zo voor mensen op de hiërarchische ladder: hoe hoger je komt, hoe minder van dit soort “zwaktes” je er zult aantreffen. Ook op dit punt zit de (dieren) wereld eigenlijk heel simpel in elkaar.
 

Op zoek naar zichzelf

Ondanks dat ik de aardige vriendin van mijn oudste zoon maar twee keer had ontmoet en dus niet goed kende, had ik met haar te doen omdat zij als één jaar ouder pubermeisje duidelijk wat serieuzer in de relatie stond dan hij. Gelukkig vond mijn zoon het ook emotioneel en zielig voor haar toen hij het uitmaakte, maar met al zijn twijfels over de verliefdheid en zijn gevoel in zijn vrijheid beperkt te worden (lees: niet willen vastzitten aan “slechts” één meisje), zag hij geen andere uitweg.
Als ik naar mijn oudste zoon kijk, zie ik wat voor veel meer pubers zal gelden: iemand die op zoek is naar zichzelf, maar die daar nog lang niet is. Hoe stoer mijn zoon ook doet, prik ik er zo doorheen. Zijn gedrag past (nog) niet bij de persoon die hij is. Ik zie mijn zoon als een goede, gevoelige en soms zelfs verlegen jongen die veel te serieus is op het gebied van de liefde om links en rechts met (meerdere) vriendinnetjes aan te komen zetten.
Als ik een zinloze discussie wil, moet ik dit tegen hem zeggen. Maar gelukkig ben ik inmiddels verstandig genoeg om dat niet te doen.


Ik weet toch wel dat ik (opnieuw) gelijk heb…
 




Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.