donderdag 24 december 2015

220. De kracht van suggestie kan een mens maken én breken (2/2)

Privé - Placebo-/Novebo-effect - Filosofie








Placebo-effectgedachte

Ik weet nog precies het moment waarop ik een persoonlijke ervaring had met het placebo-effect. Dat was ruim tien jaar geleden tijdens het laatste jaar van mijn huwelijk, waarin zowel mijn vrouw als ik niet bepaald lekker in ons vel zaten.
De psychologe die ik toen af en toe zag, sprak haar vermoeden uit dat ik in een depressie zat. Ondanks dat ik het woord uiteraard kende, was ik niet op de hoogte van de precieze definitie ervan en had ik mede daardoor het begrip nooit met mezelf in verband gebracht. Na invullen van een vragenlijst werd echter al snel duidelijk dat mijn psychologe een punt had.
Onder het mom van “Baat het niet dan schaadt het niet” begon ik vervolgens voor het eerst antidepressiva te slikken. Niet lang daarna betrapte ik mezelf op een placebo-effectgedachte toen ik mijn vrouw een keer spontaan in de keuken zoende. Iets wat ik zeker in dat stadium van ons huwelijk nooit deed, simpelweg omdat ik die behoefte niet voelde. 
Meteen nadat ik haar gezoend had, vroeg ik me af waarom ik dit eigenlijk had gedaan. Was dat omdat ik sinds kort antidepressiva slikte en ze dus blijkbaar werkten, of was dat gewoon omdat ik antidepressiva slikte en ik dus geacht werd om mij beter te voelen en dit soort leuke, spontane acties uit te voeren?
Diep in mijn hart wist ik het antwoord op deze vraag al meteen: voilá, het placebo-effect!
 

Het nocebo-effect

Er bestaat trouwens ook een minder bekende tegenhanger van het placebo-effect: het nocebo-effect. Net als “placebo” komt het woord “nocebo” uit het Latijn en betekent “Ik zal schaden”. Daar waar het bij het placebo-effect gaat om een positief verwachtingspatroon, draait het bij het nocebo-effect juist om de negatieve variant.
Ooit zag ik op, ik vermoed, National Geographic een programma over bijgeloof. Er werd een waargebeurd verhaal verteld over een man die in een paar dagen tijd opeens doodziek was geworden, terwijl de doktoren met hun handen in het haar zaten omdat ze geen enkele oorzaak voor zijn gezondheidstoestand konden vinden. Het enige wat ze zagen, was dat als er niets zou veranderen de man zou sterven.
De vrouw van de man vertelde hierop aan een van de doktoren wat de werkelijke oorzaak was. Haar man had een paar dagen daarvoor op een begraafplaats een vervelende ontmoeting gehad met de plaatselijke witch-doctor. Deze toverdokter had tijdens een voodoo-achtig ritueel een vloek over de man uitgeroepen, waarbij hij een mysterieus poeder uit een flesje over de man had heen gegooid. De man kreeg hierop medegedeeld dat hij snel zou doodgaan en dat niemand daar iets tegen kon doen. En jawel, na deze ontmoeting werd de man daadwerkelijk doodziek.
De dokter die dit verhaal aanhoorde, bedacht hierop een plan. De volgende dag kwam hij bij de zieke man langs en vertelde hem dat hij de witch-doctor had gesproken. Hij had de toverdokter gedwongen om te vertellen wat voor soort poeder hij had gebruikt. Het bleek te gaan om een poeder dat hagedisseneitjes bevatte die vervolgens in de maag van de man waren uitgekomen. Eén hagedis had dit overleefd door de overige eitjes te verorberen en die was nu begonnen aan het van binnenuit opeten van het lichaam van de man.
Gelukkig had de dokter een oplossing gevonden: hij hield een kort ritueel waarbij hij de man een injectie gaf. Hierop moest de man overgeven, wat hij deed in een emmer die de dokter hem overhandigde. En kijk, tussen al het braaksel bevond zich een grote levende hagedis in de emmer.
De dokter vertelde de man dat de vloek hiermee was opgeheven. De man was blij en opgelucht en knapte vanaf dat moment zienderogen op.
 

Moraal van het verhaal

Natuurlijk was het verhaal van de dokter verzonnen. Hij had helemaal geen witch-doctor gesproken en de hagedis had hij zelf in de emmer gestopt. Maar dat maakte allemaal niet uit. Het werkte, en daar was het allemaal om te doen geweest. 
Moraal van het verhaal: de kracht van de suggestie kan zo sterk zijn dat hij een mens kan maken (placebo) én breken (nocebo).
Verhalen waar het door het nocebo-effect slechter afliep met de patiënt zijn er overigens ook: bijvoorbeeld over een man die te horen kreeg dat hij door uitgezaaide leverkanker nog maar een paar maanden te leven had. En inderdaad stierf de man binnen dat tijdsbestek. Tijdens de autopsie bleek echter dat de artsen zich hadden vergist. De tumor was klein en niet uitgezaaid. De man was niet gestorven aan kanker, maar aan het geloof dat hij door kanker zou sterven.
 

Filosofische discussies

Wie met elkaar gaat praten over de fascinerende verschijnselen van het placebo- en nocebo-effect loopt kans snel te verzanden in filosofische discussies over het wel of niet bestaan van een scheiding tussen lichaam en geest/ziel: dualisme versus monisme.
Daar waar dé filosoof van het dualisme de Fransman René Descartes (1596-1650) als standpunt had dat mensen zijn samengesteld uit twee substanties - materie (res extensa) en geest (res cogitans) - die op een geheimzinnige, onbekende manier invloed op elkaar kunnen uitoefenen, denk ik er heel anders over.
Van alle monistische tegengeluiden tegen het dualisme spreekt mij het fysicalisme of materialisme misschien nog wel het meest aan: de werkelijkheid kan uitsluitend met fysische eigenschappen beschreven worden. Anders gezegd: alles wat is, bestaat uit materie; het “zijn” gaat vooraf aan het “denken” etc. Waarmee het fysicalisme zich lijnrecht plaatst tegenover de filosofische stroming van het idealisme, waarin niet materie maar juist al het geestelijke het enige uitgangspunt is van waaruit iets over de werkelijkheid kan worden gezegd.
Met mijn geloof in het fysicalisme gaat mijn interesse vanzelfsprekend ook uit naar de filosofische vraag binnen het reductionisme, namelijk of je alles wat er mentaal omgaat in de mens kunt reduceren tot louter fysische, biologische eigenschappen. Waarbij ik dus neig naar een bevestigend antwoord.
 

Teren op het placebo-effect

Vele columns kun je vullen met filosofische vraagstukken rondom het wel of niet bestaan van een scheiding tussen lichaam en geest. Feit is in elk geval dat het placebo-effect bestaat, dat het waarschijnlijk nog groter is dan wij denken en dat het allemaal voortkomt uit een ingewikkeld proces in ons lichaam waarbij onze verwachtingen dat iets positief zal werken op zich al voldoende kunnen zijn om positieve effecten teweeg te brengen.
Met dit besef vraag ik me wel eens af hoeveel geneeskundige methoden en medicijnen er op deze wereld circuleren die in feite volledig op het placebo-effect teren. Ik kan me namelijk goed voorstellen dat er- zeker in een verder verleden - diverse geneeskundige middelen en methoden zijn uitgevonden die vervolgens met succes werden getest en ingevoerd waarbij men echter met één klein detail geen rekening hield. Namelijk met de mogelijkheid dat de gezondheidssituatie van de patiënten niet verbeterde door de middelen en methoden zelf, maar enkel en alleen door de verwachtingen van de patiënten dát ze zouden helpen. Ik vermoed dat als ooit hierover de exacte waarheid naar boven komt we er enorm van zullen schrikken.
Aan de ene kant kun je stellen dat dat toch niets uitmaakt zo lang als het allemaal maar werkt. Maar aan de andere kant moet je dan ook accepteren dat het placebo-effect onze economie onnodig veel geld kost. We praten dan over miljarden die elders veel nuttiger zouden kunnen worden besteed.
 
Sinds kort slik ik weer nieuwe antidepressiva. Maar zeker na het schrijven van deze columns vraag ik me opnieuw sterk af of ze wel zullen helpen. Ik weet dus dat antidepressiva op zich niets doen, maar ik weet ook dat als ik erin zou geloven ze waarschijnlijk wel zullen werken. Hoe moet je in godsnaam in iets geloven waarvan je weet dat het eigenlijk nergens op slaat? Mmm, lastig hoor. Ik vraag me trouwens af hoeveel gelovigen er dagelijks met dezelfde vraag worstelen.
 






Tonko


Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 

Focus (NTR): Het Placebo-effect

zaterdag 19 december 2015

219. Wat kost de wereld meer geld: geloof of de waarheid? (1/2)

Actualiteit - Placebo-/Novebo-effect - Waarheid

 






Paracetamol versus placebo

Een klein onderzoekje in Nieuw-Zeeland toont aan dat bij mensen met griep paracetamol even goed werkt als een placebo. Dit sluit aan op een uitzending die ik onlangs zag van het wetenschappelijk NTR-programma Focus over het placebo-effect (placebo komt uit het Latijn en betekent “Ik zal behagen”).
Dit fenomeen waarbij placebo’s of neppillen aan patiënten worden gegeven die vervolgens gewoon even goed als echte medicijnen blijken te werken, heeft mij altijd gefascineerd.
 

Placebo-effect sterker dan gedacht

In de uitzending van Focus wordt duidelijk gemaakt dat het placebo-effect nog een stuk sterker is dan gedacht. Zo hebben experimenten aangetoond dat als mensen zonder het te weten een placebo krijgen het daarna niet alleen beter met ze gaat, omdat ze mentaal denken dat het na inname van dit “medicijn” wel beter zal gaan, maar ook omdat de placebo daadwerkelijk fysiek een verandering in het lichaam teweegbrengt.
Dan ziet men bijvoorbeeld aan hersenscans dat er na inname van een placebo in de hersenen stofjes ter pijnverlichting zijn aangemaakt zoals dat ook gebeurt bij inname van echte medicijnen.
Natuurlijk zijn er grenzen aan het placebo-effect en kunnen placebo’s geen gebroken benen of kanker genezen. Maar dat we het effect nog steeds onderschatten, wordt steeds duidelijker.
Zelfs als je tegen een patiënt zegt dat hij een placebo krijgt, heeft het vaak een positief effect. In de uitzending zien we een patiënte die ervan op de hoogte was dat ze als experiment placebo’s tegen haar hevige rugpijn kreeg. Ondanks haar eigen scepsis en verbazing bleek ze er enorm van op te knappen. Toen het experiment echter stopte, gebeurde wat je al kunt raden: de rugpijn keerde even snel terug als dat die eerder was verdwenen. Omdat de doktoren haar geen placebo’s meer mochten geven, deed ze vervolgens nog vergeefse pogingen om bij apotheken placebo’s aan te schaffen.
Neem dan een pepermuntje en beeld je in dat het een medicijn is, denk je dan, maar zo werkt het niet. O
m placebo’s te laten werken, moet je het wel serieus aanpakken. Zo werken grote placebo’s beter dan kleine, twee placebo’s beter dan één, duurdere beter dan goedkopere en rode placebo’s beter tegen pijn en blauwe beter tegen angst.
 

Antidepressiva

Wat jammer toch dat ik met mijn aanleg voor en last van existentieel-achtige depressies niet alleen aardig op de hoogte ben van het placebo-effect, maar bovendien veel rationeler in elkaar steek dan een gemiddeld mens. Waar rationaliteit normaal gesproken mijn kracht is, werkt het in dit geval duidelijk tegen me.
Jarenlang heb ik met tussenpozen diverse antidepressiva gebruikt, maar ik kan niet zeggen dat ik veel verschil merkte. Geen wonder als je bedenkt dat ik naast mijn al aanwezige kennis over het placebo-effect ook op de hoogte ben van een onderzoek uit 2008 dat aantoonde dat placebo’s bij ”gemiddeld” (niet zwaar) depressieve personen ongeveer even goed werkten als echte antidepressiva. Alleen voor zwaar depressieve mensen bleken antidepressiva iets zinvoller te zijn dan placebo’s.
Ervan uitgaande dat dit klopt, hoef je geen wiskundig genie te zijn om hieruit op te maken dat de in antidepressiva aanwezige stofjes voor gemiddeld depressieve mensen dus blijkbaar niets doen. Een eenvoudige rekensommetje leert tenslotte dat anders de groep mensen die tijdens het onderzoek de echte antidepressiva kreeg beter zou hebben moeten scoren dan de placebogroep.
Eindconclusie: geef mensen met gemiddelde depressies neppillen óf antidepressiva (dat maakt niet uit), zeg dat het een antidepressivum is en het werkt bij beide varianten in dezelfde mate. Wat in de praktijk neerkomt op ongeveer vijftig procent (of andersom geredeneerd: bij ongeveer vijftig procent werken antidepressiva dus sowieso niet). Allemaal simpelweg omdat voor deze mensen de illusie sterker werkt dan de waarheid.
 

Filosoof Friedrich Nietzsche en Der Wille zur Macht

Om even een filosofische zijsprong te nemen: dat soms de illusie sterker is dan de waarheid doet mij denken aan de deugdethiek van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) waarin centraal staat dat de waarheid en de illusie deugdelijk zijn als ze je sterker maken en ondeugdelijk zijn als ze je verzwakken. Een bekende uitspraak van Nietzsche hierbij is: “Waar de illusie sterker is dan de waarheid - kies dan voor de illusie.”
Het betreft hier standpunten die je weer kunt beschouwen als onderdeel van de rode draad door Nietzches filosofie: de wil tot macht.
De theorie rondom “Der Wille zur Macht” draait om Nietzsches overtuiging dat het leven in het universum gedicteerd wordt door de wil tot macht. Degenen met de sterkste wil tot macht, door Nietzsche übermenschen genoemd, zetten zich met hun nieuwe moraal af tegen de heersende slavenmoraal waarbij nederigheid, medelijden en vergeving de centrale deugden waren.
Dat Friedrich Nietzche met deze op het het recht van de sterkste gestoelde theorie decennia later bijzonder populair zou worden onder hooggeplaatste nazi's/fascisten mag geen verrassing worden genoemd. Zo beschouwde Adolf Hitler Nietzsche als zijn favoriete filosoof. 
 

Goedkope placebo's 

Nog een kleine kanttekening bij mijn opmerking “dat maakt niet uit” bij de hierboven genoemde eindconclusie: kijkend naar het geld maakt dat natuurlijk wél heel veel uit. Als je alle in Nederland voorgeschreven antidepressiva zou vervangen door goedkope placebo’s zou dat jaarlijks vele honderden miljoenen euro’s schelen.
Wat bij mij een boeiende, filosofische en zelfs beetje retorische vraag oproept. Wat kost de wereld eigenlijk meer geld: geloof of (de) waarheid? Een fascinerende vraag om over na te denken.

Meteen hierna volgt deel 2. 
 






Tonko


Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


Focus (NTR): Het Placebo-effect
 

zaterdag 5 december 2015

218. Zonder waarheidsvinding geen rechtvaardigheid

Actualiteit - Zelfmoord - Rechtspraak - Waarheid 

 





Dexter

De afgelopen maanden heb ik de serie Dexter gezien (zie ook column 213). De serie gaat over Dexter Morgan die als forensisch bloedexpert bij de politie van Miami werkt om moorden op te lossen, maar die in zijn vrije tijd als seriemoordenaar zelf vrij rondlopende moordenaars ombrengt die door de mazen van het politienet zijn gekropen.
Dexter is uitmuntend in zijn werk, wat ook meteen verklaart waarom hij als seriemoordenaar zo succesvol kan zijn. Dexter hoeft maar op een plaats delict te komen, het levenloze lichaam en de bloedsporen te zien (en uiteraard te fotograferen) en hij weet precies hoe de moord is gepleegd. En als het even meezit - doordat de moordenaar in de politiedatabase staat - weet men door het gevonden DNA daarna ook snel wie het gedaan heeft.
 

Dascha Graafsma

Ondanks dat ik natuurlijk goed besef dat televisie geen werkelijkheid is, betrapte ik mezelf tijdens het kijken van Dexter toch op de gedachte dat het in het echt met alle huidige technische middelen en DNA-sporen ook wel in grote lijnen zo zal gaan.
Wellicht dat het in het gewelddadige Miami wel zo werkt, maar in Nederland zijn we nog lang niet zover. Dat bleek onlangs toen de zestienjarige Dascha Graafsma in Hilversum na een avond stappen in de vroege ochtend van zaterdag 28 november door aanrijding door een trein tragisch om het leven kwam.
Zelfmoord concludeerde de politie onmiddellijk, wat toevallig (?) voor hen en justitie natuurlijk ook het "beste" zou uitkomen. In zo'n geval kan het dossier tenslotte meteen worden gesloten en hoeft men verder geen onderzoek meer te verrichten.
Maar de vader van Dascha die zijn dochter niet anders kende dan als een blij, vrolijk, "vlinderig" kind geloofde niets van deze conclusie en zocht de media op. Naar het nu uitziet niet onterecht, want inmiddels is uit pathologisch onderzoek gebleken dat er in het lichaam van Dascha behalve alcohol ook twee sporen van drugs zijn gevonden “die je liever niet in je lichaam wilt hebben”. Hierdoor blijft de mogelijkheid open dat niet de drang om niet te willen blijven leven, maar het “gewoon” bewust dan wel onbewust innemen van drugs het drama heeft veroorzaakt.
 

Astrid en Talitha Storm

Wat ik te gek voor woorden vind aan dit verhaal, is dat men het zover laat komen dat een vader van een overleden kind zich genoodzaakt voelt om de media op te gaan zoeken om ervoor te zorgen dat er in elk geval grondig onderzoek wordt verricht. Terwijl het mij niet minder dan vanzelfsprekend lijkt dat dat in dergelijke situaties altijd gebeurt.
Dat dit echter een naïeve gedachte is, maakte Astrid Storm mij duidelijk in het actualiteitenprogramma Pauw van afgelopen dinsdag. Astrid is de moeder van Talitha die in 2013 om het leven kwam toen zij door een trein werd aangereden. Opvallend aan dit verhaal is dat Talitha op het moment van aanrijden roerloos op het spoor lag, maar dat de moeder gewoon te horen kreeg dat haar dochter voor de trein was gesprongen.
Astrid vertelde dat ze tot op de dag van vandaag nog steeds niet weet wat er precies is gebeurd, vooral omdat het onderzoek naar de dood van haar dochter al vanaf de eerste minuut misliep. Zo werd door politie en justitie meteen de conclusie getrokken dat het om zelfdoding zou gaan, terwijl er toch duidelijk een aantal vreemde zaken speelden waaronder dus het bijzondere feit dat Talitha roerloos op het spoor lag op het moment van aanrijden.
 

Doe eerst onderzoek en trek daarna je conclusies!

De onmiddellijke aanname van zelfmoord als oorzaak is de reden dat er verder nooit onderzoek is verricht; noch naar het lichaam van Talitha, noch naar haar kleren, noch naar (eventueel - in geval van een misdrijf - sleep) sporen etc.
Nog een verbijsterend detail aan deze zaak is dat er direct na het drama nooit foto’s zijn gemaakt op en rond het spoor en lichaam. Iets wat ik echt niet kan begrijpen, aangezien ik ervan uitga dat dat een standaardprocedure is in dit soort situaties.
Het meest choquerende aan alles vind ik echter de constatering dat wat in mijn ogen les één zou moeten zijn in het handboek van de politie voor wat betreft de werkwijze in dit soort situaties gewoon niet is gehanteerd: doe eerst onderzoek en trek daarna je conclusies! Hoe moeilijk kan dat zijn?
 

Rol geld

Typerend voor de wereld waarin wij leven is dat ook hier weer geld een belangrijke rol heeft gespeeld: wanneer er een dode valt op het spoor gaat de hoogste prioriteit uit naar het zo snel mogelijk vrijmaken van de rails zodat de treinen weer door kunnen rijden.
Maar juist om deze reden lijkt het mij des te vanzelfsprekender dat voor deze situaties een standaardprocedure zou bestaan die erop uit is om in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk gegevens te verzamelen door middel van sporenonderzoek ter plaatse én - essentieel - door het maken van heel veel foto’s die de mogelijkheid openhouden voor onderzoek achteraf.
 

Advocaat Sébas Diekstra en waarheidsvinding

Heel ironisch vond ik te horen dat Sébas Diekstra, de advocaat van Astrid Storm, aangaf dat zijn rol in deze zaak tot op heden was geweest om politie en justitie achter hun broek aan te zitten om ervoor te zorgen dat zij alsnog aan waarheidsvinding gaan doen in plaats van aan tunnelvisie. Ironisch omdat het wel de omgekeerde wereld lijkt: een advocaat die zich bezighoudt met waarheidsvinding (niet zijn taak) en een officier van justitie die dat niet doet (wél zijn taak).
Wat mij voor de zoveelste keer terugbrengt op mijn standpunt dat de rechtspraak niet deugt, omdat daarin waarheidsvinding en rechtvaardigheid altijd centraal zouden moeten staan terwijl dat helaas nog niet gebeurt (lees mijn columns over rechtspraak en advocaten). 
 

Schuldgevoel

Natuurlijk begrijp ik overigens goed dat bij dit soort drama’s altijd het risico aanwezig is wat Peter R. de Vries in de uitzending van Pauw ook benoemde: veel ouders van kinderen die zelfmoord plegen, hebben moeite om zich erbij neer te leggen dat hun kind zelfmoord heeft gepleegd. Hierdoor hebben ze de neiging om zich uit schuldgevoel vast te klampen aan een zaak met als “hoop” dat er als eindconclusie uitkomt dat een misdrijf en niet zelfmoord de oorzaak van de dood van hun kind is.
Mede door dit risico is de mening van de ouders in dit verhaal minder relevant. Wat het meest relevant is, is dat het bij dit soort drama's bij politie en justitie een vanzelfsprekendheid en vaste procedure wordt dat er eerst grondig onderzoek plaatsvindt alvorens er conclusies worden getrokken, waardoor de ware toedracht van wat er werkelijk is gebeurd naar boven komt. 
Ik kan het niet vaak genoeg herhalen: waarheidsvinding is en blijft de basis van een goede rechtspraak. Zonder waarheidsvinding geen rechtvaardigheid.
 

The Staircase

Wat jammer toch dat de in zijn werk foutloze Dexter in werkelijkheid niet bestaat.
Belangrijke les in het echte leven is dat je altijd en eeuwig kritisch moet blijven, aangezien er op alle niveaus mensen rondlopen die grote fouten maken, zelfs daar waar het om leven en dood draait.
Het doet me denken aan de spannende documentaire "The Staircase" waarin de Amerikaanse schrijver Michael Peterson op een avond zijn vrouw dood onderaan de trap vindt. Hij beweert dat ze van de trap is gevallen, maar hij wordt door de staat aangeklaagd en veroordeeld voor moord.
Omdat de deskundigen van beide partijen gek genoeg hele verschillende meningen hebben over wat de sporen op en rond het lichaam feitelijk aantonen, is en blijft Michael Peterson de enige die weet wat er precies is gebeurd.

Maar Dexter zou het wel weten...
 





Tonko


Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


woensdag 2 december 2015

217. Kinderporno bestrijden door verspreiden

Actualiteit - Kinderporno - Nature/Nurture - TV/Film/Docu

 





Voorwoord: gemengde gevoelens

Meestal als ik een column schrijf, zoek ik naar achtergrondinformatie om mijn argumenten met feiten te kunnen onderbouwen. Noem mij vreemd, maar voor mij is de beste column een column die doordrenkt lijkt met sterke meningen, maar die bij nader inzien gewoon geheel uit feiten blijkt te bestaan. Bijkomend voordeel van mij verdiepen in een onderwerp is dat ik mijn kennis vergroot, iets wat ik vanuit mijn extreme nieuwsgierigheid graag doe en zelfs kan beschouwen als een soort passie.
Met gemengde gevoelens heb ik het zoeken naar achtergrondinformatie bij het schrijven van deze column over kinderporno echter niet gedaan. Een blunder, waar ik veel van heb geleerd. Ik zal deze fout dan ook nooit meer begaan* (zie reactie helemaal onderaan)
De gemengde gevoelens komen voort uit de tegenstrijdigheid tussen begrip voor mijn keuze om me niet te verdiepen in het onderwerp en onbegrip voor mijn angst en lafheid die hierachter zitten.
Ja, ik kan heel goed begrijpen dat als ik een column wil schrijven over het onderwerp kinderporno, ik grote weerstand voel voor het intikken van het woord “kinderporno” op mijn computer. Afgezien van het feit dat Edward Snowden (zie ook column 89) mij het paranoïde gevoel heeft bezorgd dat je in zo’n geval de rest van je leven bij geheime diensten over de gehele wereld in the picture staat als potentieel kinderpornoliefhebber, wil ik ook gewoon niet weten wat ik dan allemaal zal tegenkomen. Al ga ik er daarbij nog wel voor het gemak van uit dat het allemaal zal "meevallen", aangezien ik mag aannemen dat je eerst nog flink wat hobbels zal moeten nemen alvorens je echte kinderporno op het internet tegenkomt (dat  lijkt me toch vooral iets voor het Dark Web). Of ben ik nu vreselijk naïef?
Hier tegenover staat echter dat ik van mezelf vind dat ik boven de bezwaren tegen het opzoeken van dit onderwerp moet staan, omdat ik het doe voor een goede reden: informatie en kennis verzamelen die mijn meningen in mijn column onderbouwen door het leveren van goede argumenten.
Daarnaast beschouw ik mezelf als iemand die niets met taboes heeft en daar aldus niet aan meedoet. Ik houd van openheid, omdat ik van mening ben dat je daarmee altijd meer zult bereiken en oplossen dan met dingen wegstoppen of ontkennen. Bovendien levert deze instelling de mooiste diepgaande gesprekken op en daar houd ik van.

 

Geavanceerde kunstmatige kinderporno

Aanleiding van mijn column over dit gevoelige onderwerp is de uitzending van Pauw van afgelopen vrijdag waarin twee mannen van de politie vertelden hoe zij onlangs in nauwe samenwerking met een aantal andere landen het grootste kinderpornonetwerk van de wereld wisten op te rollen.
Over dit succes en alles wat er verder aan tafel bij Pauw over werd verteld, heb ik weinig opmerkingen. Maar het schoot mij te binnen dat een tijd terug in DWDD (De Wereld Draait Door) ooit iemand te gast was die een even eenvoudig als - in mijn ogen - briljant plan had op het gebied van de aanpak van kinderporno: kinderporno bestrijden door verspreiden.
Zijn voorstel: laat mensen (pedofielen, pedoseksuelen of andere kinderpornogebruikers* lijkt me, want een gemiddeld persoon zal daar niet snel voor te porren zijn vermoed ik) met behulp van de geavanceerde kunstmatige (naschrift: AI) technieken kinderporno maken en verspreiden. Enthousiast is natuurlijk niet het goede woord, maar ik weet wel dat ik het meteen een geweldig idee vond. Maar ik geloof dat ik een van de weinigen was, want bijster veel bijval kreeg de beste man niet. Wat overigens ook mede veroorzaakt kan zijn door het "kleine" detail dat als men dit plan ooit zou willen gaan uitvoeren eerst nog even de wet moet worden aangepast die verspreiding van kinderporno op welke wijze dan ook (echt dan wel kunstmatig) verbiedt.*
Hoe vreemd dit plan in eerste instantie misschien ook overkomt, ligt het achterliggende doel voor de hand: als je pedofielen, pedoseksuelen of anderen* met de drang naar kinderporno een platform biedt waar geavanceerde (AI) kunstmatige kinderporno te vinden is, worden échte kinderen hopelijk (meer) met rust gelaten en scheelt dat een boel ellende en kinderleed in de wereld. Je mag namelijk hopen dat zoiets voor veel kinderpornoliefhebbers een uitkomst biedt, bijvoorbeeld doordat het resulteert in een enorme vermindering van schaamtegevoelens.

Anders dan gemiddeld

Naar een belangrijke reden waarom dit plan niet goed werd ontvangen, kan ik wel raden en die sluit feilloos aan op mijn vorige twee columns (zie 215 en 216). Gechargeerd gezegd komt het erop neer dat een gemiddeld mens kinderporno (vanzelfsprekend) walgelijk vindt en daarbij meestal ook nog van mening is dat iedere pedofiel, pedoseksueel of andere kinderpornogebruiker* die ernaar kijkt en/of eraan verslaafd is het niet verdient om te leven en dood moet.
Hoe begrijpelijk ik deze gedachtes en emoties ook vind, kijk ik verder dan dat. Om te beginnen moeten we beseffen dat het gewoon niet zo is dat wij allemaal ongeveer hetzelfde zijn, maar dat sommige mensen in hun leven toevallig de onbegrijpelijke keus maken om een pedofiel, pedoseksueel of ander seksueel afwijkend persoon* met een verslaving aan kinderporno te worden.
Om dit fenomeen te begrijpen, zullen we vooral naar de nature-kant (lees: de hersenen) van de betreffende pedofielen, pedoseksuelen en andere kinderpornoliefhebbers* moeten kijken. Net als bij psychopaten of mensen met andere extreme psychische stoornissen of afwijkingen zijn de hersenen van verslaafden aan kinderporno nu eenmaal ook anders dan gemiddeld.
Verder zullen de nurture-omstandigheden van deze kinderpornoverslaafden ook vaak een belangrijke rol spelen, zeker daar waar zij opgroeien in een onveilige omgeving waarin de aanwezige verkeerde seksuele prikkels in plaats van gekanaliseerd en gedempt juist opgewekt, aangemoedigd, opgedwongen en/of versterkt worden.

Druppels op een gloeiende plaat

Wie denkt dat je kinderporno (liefhebbers) kunt verbannen uit deze wereld, moet ik teleurstellen: dat zal nooit gebeuren. Net als dat je het kwaad in het algemeen nooit zult kunnen uitroeien. Dus blijft er maar één mogelijkheid over: accepteren dat het er is en proberen het te kanaliseren en in zo acceptabel mogelijke banen te leiden. 
Eén belangrijke “Zeg nooit nooit”-toevoeging van het type wetenschapper dat ik ben, heb ik nog wel: ik houd er altijd ergens rekening mee dat er ooit in de verre toekomst een dag zal aanbreken waarop de wetenschap zover is dat extreme afwijkingen en stoornissen in de hersenen aangepakt kunnen worden waardoor ze niet meer voorkomen. De tijd zal het leren. Al zal ik dat niet meer meemaken.
Hoe menselijk en begrijpelijk ik het walgen van kinderporno (liefhebbers), pedofielen, pedoseksuelen en alles daar omheen - inclusief het bestrijden door verspreiden - ook vind, lost het blindstaren op die walging an sich natuurlijk niets op. Om iets positiefs te veranderen aan de situatie zul je toch als eerste het probleem moeten erkennen. Waarna het bij de volgende stap verstandig is om behalve aan handhavingsmaatregelen ook aan mogelijke alternatieve, meer preventieve methoden te gaan denken. Want hoe goed en belangrijk ik het werk ook vind van de politiemannen bij Pauw, vrees ik dat dit soort inspanningen slechts druppels zijn op een gloeiende plaat.
Zoals uit de gesprekken bij Pauw helaas al duidelijk werd, neemt kinderporno in deze keiharde wereld de laatste tijd alleen maar enorm toe en dus vrees ik dat daar waar er aan de ene kant een kinderpornonetwerk wordt opgerold er aan de andere kant weer even snel een nieuw, waarschijnlijk groter netwerk zal opduiken.
Het maken en verspreiden van kunstmatige kinderporno (en dit mogelijk maken door een wijziging in de wet*) lijkt mij een stuk geschikter als poging om daadwerkelijk structureel iets aan het probleem te doen. Preventie - wat voor mij hier inhoudt: het zoveel mogelijk voorkomen dat echte kinderen voor kinderporno worden ge-/misbruikt - blijft tenslotte altijd veel beter dan handhaving.

Een column schrijven zonder achtergrondinformatie op te zoeken; het is me gelukt, maar het was zéér onverstandig!* Al besef ik wel dat vanaf het moment van publiceren van deze column mijn naam en het woord “kinderporno” voor eeuwig in één zin te vinden zijn op het internet. Walgelijk, maar wel de realiteit...








Tonko


Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


* BELANGRIJK: zie interessante en nuttige opmerking/reactie onderaan bij Opmerkingen!