woensdag 11 juni 2014

135. Ach, een stoornisje meer of minder (4/8)

Privé - Hoogbegaafdheid





Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 137, 138 en 139), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.   



Verkeerde hokjes

De poging van het instituut om mijn zoon persé in een hokje te willen plaatsen wat achteraf alleen niet de juiste bleek te zijn, is iets waarvan ik durf te wedden dat dat ontzettend vaak voorkomt in Nederland.
Ik had alleen geluk dat ik kritisch meedacht en mijn vraagtekens zette en dus een second opinion aanvroeg, maar heel veel andere ouders hebben dat geluk natuurlijk niet. Eenvoudigweg omdat zij minder mondig, kritisch of slim zijn of gewoon teveel ontzag voor autoriteit tonen waardoor ze opkijken tegen alles wat maar een witte jas aanheeft. Met als gevolg dat deze witte jassen hen alles kunnen wijsmaken wat ze maar willen.
Ik wil niet weten hoeveel kinderen er op dit moment in Nederland rondlopen die doodongelukkig zijn omdat zij (en hun ouders) niet beseffen dat ze in een heel verkeerd hokje zijn geduwd. Met als vervelend gevolg dat ze momenteel de verkeerde behandelingen ondergaan en misschien zelfs medicijnen slikken die nergens op slaan of die de problemen alleen maar verergeren.
 

You've got to be kidding me!

Niet veel later na het MCDD-incident werd mijn zoon door zijn problemen in de omgang met andere kinderen op school geobserveerd door weer een nieuw iemand van weer een nieuwe hulpverleningsinstantie.
Deze mevrouw had mijn zoon iets van een halfuur geobserveerd en wist ons toen met stelligheid te verkondigen dat hij PDD-NOS had. Toen had ik het echt even helemaal gehad met dit soort Mieppen en instanties die maar denken dat ze de waarheid in pacht hebben. En dat allemaal op basis van een halfuurtje naar mijn zoon kijken op het schoolplein. Kom op zeg, you've got to be kidding me!
Ik viel uit tegen deze mevrouw en zei haar dat ik haar met al mijn ervaringen toch moeilijk serieus kon nemen. Verdomme, ik kreeg het idee dat als ik met mijn zoon naar tien verschillende instanties zou gaan ik tien verschillende diagnoses zou krijgen. Hoe kun je in godsnaam na een halfuurtje een diagnose stellen waar jouw kind straks wellicht zijn hele leven mee zit opscheept? Ik was woedend.
 

Syndroom van Asperger

Grappig is dat in de loop der tijd ook over mij door professionals én bekenden dingen zijn geroepen over "wat ik zou hebben" die, vaak achteraf, gewoon aantoonbaar niet klopten en waarvoor ik inmiddels goede argumenten kan aandragen.
In de laatste jaren van mijn huwelijk kreeg ik een keer van mijn vrouw een artikel dat haar moeder speciaal voor mij had uitgeknipt. Zo'n typische actie van een vrouw en/of schoonmoeder, al was dit niet bepaald een hint waar de subtiliteit vanaf droop. Het was een artikel over het syndroom van Asperger. Ach, een stoornisje meer of minder in ons gezin moet niet uitmaken, zal mijn schoonmoeder hebben gedacht.
 

Asperger syndroom

Samen met PDD-NOS en MCDD valt ook het Asperger-syndroom onder het autistisch spectrum. Net als bij alle andere vormen van autisme houdt ook Asperger in dat je in elk geval problemen ondervindt in de sociale communicatie, je (hoogstwaarschijnlijk) een gebrek aan empathie hebt, je beperkte interessegebieden hebt en je opvallend herhalingsgedrag vertoont. Afwijkend ten opzichte van andere autistische varianten is dat mensen met Asperger geen vertraagde taalontwikkeling hebben gehad en een gemiddeld of zelfs hoog IQ hebben.
Als mijn schoonmoeder mij een beetje had gekend en zich (of ik mij) wat beter in mij en in Asperger had verdiept, had (ik) ze (toen al) geweten dat er een paar zaken niet klopten aan haar vermoedens.
Waarin ze wel gelijk had, is bijvoorbeeld mijn monotone stem dat ook bij Asperger hoort. En ook dat ik moeite heb met bepaalde sociale situaties. Al kan dat natuurlijk ook andere oorzaken hebben. Zo bestaan er ook mensen die moeite hebben om te verkeren in sociale omgevingen waarin ze niet het gevoel hebben dat er een sfeer heerst waarin onderling oprecht veel interesse in elkaar is. Op het onderwerp empathie kom ik straks nog uitvoerig terug.
 

Enorme ironische humor

Behalve dat ik zeer breed geïnteresseerd ben en geen opvallend herhalingsgedrag vertoon met allemaal vaste procedures en gewoontes (dat zou ik juist wat meer kunnen gebruiken, chaoot die ik ben), ging mijn schoonmoeder op meer punten de mist in.
Typerend voor mensen met Asperger is bijvoorbeeld dat ze dingen nogal letterlijk kunnen nemen en daardoor moeite hebben met het inschatten of iets een grap is of niet, zoals bijvoorbeeld bij ironische humor. Ik heb zelf enorme ironische, cynische, sarcastische humor en als ik autisme zou hebben, zou dat volgens mij vrij uniek zijn.
Ook blijken “Aspergers” motorisch nogal onhandig te zijn. Ik ben altijd een goede sporter geweest en ik kan met geen mogelijkheid ergens uit concluderen dat er motorisch iets mis zou zijn met mij. Ook vertoon ik niet zoals veel “Aspergers” een overgevoeligheid voor geluiden, geuren en aanrakingen. Iets wat ook hoort bij hoogsensitiviteit (HSP) wat overigens weer een totaal andere “stoornis” is dan autisme. Ook daar kom ik later op terug.
 

O jee, dat is dus mijn probleem!

Overbodig te zeggen dat ook mijn vrouw ervan overtuigd was dat ik autistisch was. Sterker nog, ik ben er honderd procent zeker van dat zij dat tot op de dag van vandaag nog steeds van mij denkt. Wie haar kent, moet het haar maar eens voor de grap vragen. Op een dag vertelde mijn vrouw dat ze mij totaal niet empathisch vond.
Het stomme van dit alles is dat ik in die tijd nog veel te weinig kennis bezat over al deze “stoornissen” (en over het begrip "projecteren"!) en bovendien veel te weinig zelfvertrouwen had en overal aan twijfelde en in de eerste plaats aan mezelf.
Hierdoor nam ik in feite heel veel aan van wat mensen in mijn directe omgeving over mij aan mij vertelden. Dus toen mijn vrouw en schoonmoeder aankwamen met autisme, Asperger en een gebrek aan empathie dacht ik meteen: o jee, dus dat is het. Dát is mijn probleem.
Als ze me hadden verteld dat ik volgens hen een paranoïde persoonlijkheidsstoornis bezat, had ik ze ook geloofd. Dan had ik ze waarschijnlijk eerst enorm gewantrouwd om vervolgens snel te bedenken van shit zie je wel, ze hebben toch gelijk.
 

Rubik’s Cube

Nu moet ik zeggen dat dit allemaal speelde net voordat ik meer kennis kreeg over hoogbegaafdheid en er voor mij over mezelf toch wat puzzelstukjes op zijn plaats begonnen te vallen. Vooral kleine details begonnen opeens betekenis te krijgen.
Zo kon ik mij bijvoorbeeld herinneren dat ik als jonge puber gefascineerd met de Rubik’s Cube begon te spelen toen die net was uitgekomen en voor het eerst een rage werd. Grappig, want momenteel is de kubus een rage in mijn dochters klas en speelt zij er even fanatiek mee als ik 35 jaar geleden.  Alleen zijn de tijden veranderd: tegenwoordig leren de kinderen elkaar de oplossing die is opgezocht op You-Tube.
Uuuren heb ik met de Rubik’s Cube gespeeld, totdat ik ‘m uiteindelijk oploste en de grootste lol er vanaf was. Al ging ik er nog wel een beetje mee door om mijn snelste tijd steeds te verbeteren.
Vooral achteraf vind ik het toch best bijzonder dat ik ‘m zelf heb opgelost, omdat je kunt denken dat je daarvoor een bepaalde wiskundige aanleg moet hebben. Ik vond wiskunde echter niet leuk, ook vooral omdat ik een vervelende leraar had waar ik recht tegenover zat en die tot overmaat van ramp stevig rookte (wat toen nog mocht in de klas). Hierdoor wist ik meteen dat ik geen wiskunde zou kiezen in mijn vakkenpakket. Iets wat ik achteraf jammer vind, aangezien ik het idee heb dat ik misschien best aardig in wiskunde had kunnen zijn. Volgens mij ben ik sterk in logisch nadenken en wat is er nou logischer dan wiskunde?
In elk geval was ik er toen al best trots op dat mijn methode om de Rubik’s Cube op te lossen anders bleek te zijn dan de gebruikelijke methode en ik niemand anders zag die het op mijn manier deed. Die gebruikelijke methode is overigens veel sneller door de kubus laag voor laag op te lossen. Op deze wijze schijn je dat ding vanuit elke stand zelfs in slechts twintig draaiingen op te kunnen lossen, waardoor het wereldrecord inmiddels ergens rond de vijf (!) seconden ligt .
Voor mijn methode, die naar ik later begreep de Corners First-methode heet (omdat ik eerst de hoeken “invul”), heb je veel meer draaiingen nodig. Je maakt mij ook niet wijs dat iemand op mijn manier dat ding binnen tien seconden kan oplossen. Mijn record is dertig seconden, wat ik overigens nooit meer zal verbeteren. Ik had toen veel geluk omdat die goed “viel”, wat voor mijn methode absoluut vereist is.
Toch zal ik me altijd blijven afvragen of ik niet pure mazzel heb gehad met het oplossen van de kubus door gewoon veel te oefenen of dat er wel degelijk een bepaald inzicht mee heeft gespeeld.




Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


Mijn kapot gespeelde Rubik's Cube (foto: Tonko)

134. "Verkrachtingen zijn soms goed en soms slecht"

Actualiteit - Moord en Doodslag/Verkrachting



  

Mijn oprechte excuses...


Als ik bepaalde mensen in Afrika zoals bijvoorbeeld onze Boko Haram vrienden in Nigeria uitmaak voor de meest primitieve wilden op deze aarde vanwege het barbaarse geweld, de ontvoeringen, de verkrachtingen, de moorden en de kindsoldaatpraktijken, krijg ik het idee dat ik bepaalde mensen in India tekort doe. Dat is niet mijn bedoeling.
In India zijn groepsverkrachtingen nog steeds aan de orde van de dag, worden meisjes van veertien en vijftien verkracht en opgehangen en reageren ministers luchtig met: “Verkrachtingen zijn soms goed en soms slecht” en “Zulke incidenten gebeuren niet opzettelijk maar per ongeluk”.
Ja, ik ken dat. Als mijn dochter vriendinnetjes thuis brengt, let ik ook altijd goed op dat ik niet struikel en per ongeluk zo’n meisje verkracht. Een ongeluk zit tenslotte in een klein hoekje.
Ook als groep kun je zoiets ongelukkigs natuurlijk meemaken. Dan zit je bijvoorbeeld ergens met een groep vrienden in het gedrang, heeft zich er toevallig een of andere domme vrouw tussen gewurmd, verlies je met al je vrienden het evenwicht en hopla, voordat je het weet word je opeens van groepsverkrachting beschuldigd en gezien als een slecht mens.
 
Het leven is niet fair.

Walgelijk!
 



Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.

 

 

maandag 9 juni 2014

133. Uw zoon heeft geen MCDD! (3/8)

Privé - Hoogbegaafdheid





Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 137, 138 en 139), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.   



Twee zoons met afwijkend en eigenaardig gedrag

Toch is het begrip hoogbegaafd daarna niet uit mijn leven verdwenen. Vroeg of laat dook het wel weer op.
Om met laat te beginnen: toen mijn zoons zo tussen de negen en twaalf jaar oud waren, bleken veel van hun vriendjes hoogbegaafd te zijn. Toeval? Of gewoon een kwestie van soort zoekt, en vindt, soort? 
Ik weet nog dat mijn oudste zoon na zijn slechte jaren op de basisschool met weinig vriendjes in de eerste (HAVO/VWO) klas eindelijk een goede klik met een jongen bleek te hebben. Waar ik heel blij mee was.
Bij de eerste ouderavond sprak ik eventjes met de vader van die knul die mij vertelde dat zijn zoon op de basisschool diverse problemen had gehad waarna uit een test was gebleken dat hij hoogbegaafd was. Overigens ging deze jongen later niet naar VWO maar naar de HAVO om aan te geven dat lang niet alle hoogbegaafden (sterker: het is een minderheid) VWO of gymnasium doen.

Maar ook vroeg dook de term hoofbegaafd al op. Bijvoorbeeld doordat na mijn oudste zoon ook mijn tweede zoon als jong kind geen aansluiting bleek te hebben met leeftijdgenoten en ook hij afwijkend gedrag begon te vertonen. Eigenlijk nog een stuk eigenaardiger dan zijn broer, want hij stopte van de ene op de andere dag met praten, althans buitenshuis (selectief mutisme - zie column 16).
Natuurlijk kon het toeval zijn dat we twee zoons hadden met afwijkend en eigenaardig gedrag, maar ik zei toen al tegen mijn vrouw dat ik dat niet los van elkaar kon zien. Ik zag in mijn visie twee kinderen die om wat voor reden dan ook gefrustreerd gedrag vertoonden, waarbij de een dat  uitte door zich soms agressief te gedragen tegenover zijn omgeving, terwijl de ander datzelfde deed door maar lekker te gaan zwijgen.
Ook over mijn tweede zoon viel wel eens het woord hoogbegaafd al hebben we hem nooit laten testen, aangezien het ons er uiteraard vooral om ging dat hij weer gewoon ging praten. Wat na de nodige hulp gelukkig ook gebeurde.
 

Disharmonieus intelligentieprofiel

Mijn oudste zoon werd voor zijn tiende jaar wel een paar keer getest. Eerst bleek hij na IQ testen een disharmonieus intelligentieprofiel te hebben. Wat inhield dat er een sprake was van een zogenaamde performaal-verbale (P/V) kloof: een verschil tussen het IQ op performaal niveau (meet alles met betrekking tot het praktisch omgaan met kennis, het oplossen van problemen, etc.) en verbaal niveau (meet alles met betrekking tot woordenschat, taalgevoel etc.) van minstens twaalf punten.
In het geval van mijn zoon was die kloof best groot: verbaal scoorde hij rond de 110 en performaal rond de 140 met dus een verschil van dertig punten. De gedachte is dat zo’n kloof leidt tot problemen of zelfs kan duiden op een andere stoornis. In het geval van mijn zoon zou het problemen kunnen opleveren doordat hij, simpel gezegd, weliswaar heel goed problemen zou kunnen oplossen, maar dat hij dat dan echter vervolgens verbaal niet zo goed zou kunnen overbrengen.
 

Meer kans op P/V-kloof bij IQ boven 130

Inmiddels blijken de meningen binnen de wetenschap over of deze P/V-kloof wel of geen problemen en/of andere stoornissen zou veroorzaken, verdeeld. De kans op problemen lijkt groter bij kinderen die performaal hoger scoren dan verbaal (zoals bij mijn zoon) dan als het andersom het geval is. Verder schijnt de kans op een P/V-kloof bij kinderen die een IQ score hebben van boven de 130 vijf keer zo groot te zijn als bij de rest. Bij hoogintelligente kinderen is er gemiddeld sowieso een groot verschil tussen hun sterkste en “zwakste” gemeten onderdelen, wat de vraag oproept of je deze kinderen niet anders moet benaderen dan de overige kinderen met een P/V-kloof.
 

Van een disharmonieus naar een harmonieus intelligentieprofiel

Zeer opvallend was dat toen mijn zoon een paar jaar later opnieuw werd getest hij ineens “af” bleek te zijn van zijn disharmonieus profiel. Nu vielen zijn scores opeens weer keurig binnen het harmonieuze intelligentieprofiel met performaal en verbaal een IQ score die onderling maar een paar punten scheelde en gemiddeld uitkwam op 129.
Wie mij kan vertellen hoe het kan dat je het ene moment valt binnen het disharmonieuze intelligentieprofiel en op het andere moment - binnen een paar jaar - opeens in het harmonieuze profiel mag het zeggen.
Het gebeuren bevestigde in elk geval mijn overtuiging dat als je bij diverse instituten op verschillende momenten iemand test er altijd een kans bestaat dat er hele verschillende resultaten uitkomen. Eenvoudigweg omdat het (de) ene instituut/test-afnemer/test het (de) andere niet is; daar waar er mensen zijn altijd fouten zullen worden gemaakt; het voor de geteste persoon altijd een momentopname is en factoren als faalangst en onderpresteren nooit moeten worden onderschat.
Hoe meer ik over IQ-testen lees, hoe duidelijker het mij wordt dat ze meer gezien moeten worden als een indicatie en schatting dan als een keihard bewijs van iets. Zo las ik bijvoorbeeld een verhaal over iemand met autisme die bij diverse IQ-testen scores had behaald tussen de 79 en 147!
 

Heel vreemd

Omdat de aanleiding om onze zoon te laten testen was dat wij ons zorgen maakten over bepaald problematisch gedrag, had het instituut hem uiteraard op veel meer punten getest dan alleen op intelligentie. Interessant was om te zien dat het instituut duidelijk als doel had om hem in een hokje te kunnen plaatsen. Wat niet helemaal onbegrijpelijk is, aangezien dat een belangrijk handvat kan zijn voor ouders en eventuele hulpverleningsinstanties richting het te volgen traject.
Toen men de resultaten met ons gingen bespreken, werd tot mijn verbazing het woord “hoogbegaafd” nergens genoemd. Misschien omdat je daarvoor officieel 130 of hoger moet scoren in plaats van 129 en ze om die reden dit hokje maar hadden doorgestreept. Helaas was ik toen al zover dat ik absoluut niet wilde overkomen als zo’n arrogante ouder die meteen denkt dat zijn kind hoogbegaafd is en ik dus maar besloot om braaf mijn mond te houden. Iets wat ik in mijn leven veel en veel te vaak heb gedaan en waar ik nu enorme spijt van heb.
In elk geval vind ik het heel vreemd dat als een kind tijdens een test een disharmonieus intelligentieprofiel laat zien met daarin een score van 140 op performaal niveau en hij een paar jaar later uitkomt op een harmonieus intelligentieprofiel met een gemiddelde P/V score van 129 dat dan de mogelijkheid tot een diagnose van hoogbegaafdheid niet wordt besproken. Maar dat zal wel weer aan mij liggen.
 

Iets nieuws: de diagnose MCDD

Het instituut kwam daarvoor in de plaats met iets nieuws. Alhoewel ze eerlijk toegaven er niet helemaal van overtuigd te zijn, dachten zij aan de diagnose MCDD. MCDD is een meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis, wat weer valt onder PDD-NOS, dat op haar beurt weer onderdeel is van het autistisch spectrum. 
Kenmerkend voor MCDD is het hebben van: intense angsten, primitieve driftbuien en woedeaanvallen, een groot gebrek aan empathie en moeite met het onderscheid maken tussen realiteit en fantasie. Mensen met MCDD kunnen last krijgen van paniekaanvallen, paranoia, psychoses, schizofrenie en megalomanie (grootheidswaanzin). Het moge duidelijk zijn dat dit geen kinderachtige diagnose is. Kinderen met MCDD worden dan ook doorverwezen naar het speciaal onderwijs, omdat ze niet geschikt zouden zijn voor het reguliere onderwijs.
 

Klaar als een klontje

Mijn ex-vrouw was na het horen van de diagnose vooral opgelucht. Voor haar was het allemaal klaar als een klontje en vielen alle puzzelstukjes op zijn plek. Ik daarentegen was niet overtuigd. Ja, ik zag absoluut wat overeenkomsten met mijn zoon. Mijn zoon vertoonde inderdaad primitieve driftbuien en woedeaanvallen en inderdaad had hij bepaalde angsten, zoals bijvoorbeeld voor het donker en voor spinnen.
Ook had hij in zijn jonge jaren trouwens een wat macabere fascinatie voor de dood, wat als thema vaak in zijn tekeningen terugkwam. Op een gegeven moment kwam hij zelfs met voorstellen om bij begraafplaatsen langs te gaan om er tekeningen van te kunnen maken.
 

Gebrek aan empathie?

Maar wat ik altijd het meest aandoenlijk aan mijn zoon heb gevonden, is zijn lieve en zachtaardige kant die ik achter al zijn problemen altijd bleef zien. Ik zag hem achter al die woedeaanvallen gewoon worstelen met zijn agressiviteit en frustratie en gebrek aan zelfbeheersing. Ik weet nog dat hij op een dag zei dat als die onbeheersbare buien zo bleven hij niet meer wilde leven. Hij was toen slechts vijf jaar oud. Een kind van vijf hoort natuurlijk niet dat soort dingen te zeggen laat staan te denken.
Maar wat betreft de MCDD-diagnose vroeg ik me af of mijn zoon daadwerkelijk nou zo’n gebrek aan empathie had. Zo weet ik bijvoorbeeld dat als hij naar filmpjes van Mr. Bean keek hij altijd enorm met het typetje van Rowan Atkinson meeleefde en oprecht medelijden met hem had als er iets zieligs gebeurde. Terwijl mijn zoon heus wel wist dat het allemaal nep was.
Was dat extreme inleven nou niet gewoon een vorm van empathie of moest ik dat soort gedrag juist interpreteren als dat mijn zoon moeite had met het maken van onderscheid tussen realiteit en fantasie?
Maar ook dat aspect herkende ik verder gelukkig niet bij mijn zoon. Ieder kind heeft meer fantasie dan volwassenen, maar als dat op een niveau is waarop je je gaat afvragen of hij nog wel binding met de realiteit heeft, was me dat vast wel opgevallen.  
 

Verzoek tot een second opinion

Ik zei mijn vrouw dat ik wel wat herkende maar lang niet alles en dat ik een second opinion wilde. Bovendien had het instituut zelf deze diagnose nou niet bepaald met overtuiging gegeven. De twijfel droop er vanaf.
Natuurlijk speelde bij mijn wens voor een second opinion ook het besef dat als wij zouden meegaan met deze heftige diagnose we in een (hulpverlenings) molen terecht zouden komen waar we waarschijnlijk nooit meer uit zouden komen.
Van mijn vrouw hoefde een second opinion niet. Waarschijnlijk ook omdat ze al lang blij was nu een mogelijke verklaring te hebben voor de problematiek van onze zoon en ze het beestje een naam kon geven.
Maar mijn verzoek tot een second opinion werd gelukkig ingewilligd en een korte tijd later werd mijn zoon opnieuw getest maar ditmaal door een psychiater die veel ervaring had met MCDD-patiënten. Zijn conclusie was kort en duidelijk: "Uw zoon heeft geen MCDD! MCCD was veel extremer dan wat mijn zoon had.
 

Opgelucht

Ditmaal was ik degene die opgelucht was. Niet om mezelf op de borst te slaan, maar ik wil niet weten wat er met mijn zoon zou zijn gebeurd als wij waren meegegaan in deze diagnose. We hadden hem in dat geval zeker aangemeld voor het speciaal onderwijs waar wij ons al een beetje in hadden verdiept. Maar gelukkig is dat mijn zoon allemaal bespaard gebleven en is hij gewoon naar een reguliere middelbare school gegaan waarna het stap voor stap steeds beter met hem ging.
Het liep zoals ik stiekem gehoopt en misschien zelfs een klein beetje verwacht had. Ik weet nog dat ik destijds tegen de psychologe die mijn zoon hielp, zei dat ik er ook rekening mee hield dat mijn zoon zijn moeilijkste periode voor zijn twaalfde zou hebben gehad en dat hij daarna wel eens in rustiger vaarwater terecht zou kunnen komen. Dit in tegenstelling tot veel andere kinderen die juist in de puberteit druk worden en problemen gaan veroorzaken, daar waar je dat op de basisschool totaal niet zag aankomen.

Tot nu toe heb ik gelijk, al juich ik niet te vroeg. Hij is inmiddels zestien.
 



Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


Mr. Bean (foto van DVD: Tonko)
 

zondag 8 juni 2014

132. Ik ben dus niet gek! (2/8)

Privé - Hoogbegaafdheid





Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 137, 138 en 139), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.   



Ontmoetingen met psychiater en hoogbegaafdencoach

In mijn langdurige zoektocht naar hulp bij mijn steeds terugkerende worstelingen met mezelf, zeg maar gerust depressies, had ik laatst ontmoetingen met een psychiater en een hoogbegaafdencoach.
Ondanks dat ik de psychiater had verteld dat het mij stoorde dat ik in mijn leven diverse psychologen was tegengekomen die mij maar ook mijn oudste zoon op basis van één gesprek meteen in een hokje dachten te kunnen duwen, wilde zij gek genoeg toch ook een poging wagen: kijkend naar haar ervaringen met cliënten dacht ze in mij de hoogbegaafde ADHD’er te herkennen.
Wat mij uitlokte tot het aangaan van een discussie vanwege het simpele feit dat ik niet denk dat er veel mensen in mijn omgeving een ADHD’er in mij zien, incluis mezelf. Zo zijn bijvoorbeeld veel ADHD’ers impulsief en hyperactief, terwijl ik juist bedachtzaam ben en helaas eerder de depressieve neiging vertoon tot hyperpassiviteit. Laat ik zeggen dat ik prima een lange tijd stil in een hoekje kan zitten. 
Behalve door mijn chaotische inslag, vermoed ik dat ze haar conclusie trok op basis van mijn breedsprakigheid. Al kan ik voor mijn drukke  manier van praten ook een simpele verklaring geven: wanneer je bij een psychiater zit die een drukke agenda heeft, wil je zo efficiënt mogelijk bezig zijn en probeer je dus in zo weinig mogelijk tijd zoveel mogelijk te vertellen. Dat ik dan extra druk overkom, begrijp ik.  
Maar wat de ADHD-"diagnose" betreft, moet ik wel toegeven dat voordat ik in mijn puberteit een teruggetrokken einzelgänger werd, ik als jong kind als druk en uitsloverig bekend stond. Iets wat veel huidige bekenden van mij waarschijnlijk zal verbazen.
 

Hoogbegaafde ADD'er

Pas later hoorde ik van mijn psychiater waarom ze het bij mij had aangedurfd om zich vrij snel aan een diagnose te wagen: luisterend naar mijn verhalen had ze heel veel van zichzelf in mij herkend en zij was zelf een hoogbegaafde ADHD'er.
Toen ik eenmaal een uitgebreide vragenlijst over AD(H)D had ingevuld en ik tot mijn verrassing meer herkende dan ik had verwacht, luidde de eindconclusie van mijn psychiater: ik was een hoogbegaafde ADD'er. Weliswaar ook vallend onder het kopje ADHD, maar dan zonder de H van hyperactief maar wel met de neiging tot erg chaotisch, vergeetachtig, breedsprakig en depressief gedrag met de bij deze stoornis behorende concentratieproblemen. 
Opnieuw vielen er na 48 jaar weer wat puzzelstukjes op hun plek en begon de puzzel zowaar zijn voltooiing te naderen.
 

Hoogbegaafdencoach

Even later besloot ik op basis van wat mijn psychiater me had verteld naar een hoogbegaafdencoach te gaan. Na een aantal gesprekken met hem vroeg hij mij waarom ik van hem de bevestiging wilde krijgen van iets wat ik zelf al lang wist. Al luisterend naar mij bleek hij op basis van onze gesprekken in elk geval geen enkele twijfel over mijn hoogbegaafd-zijn te hebben, wat mij zeer geruststelde. Ik ben dus niet gek!
 

In hokjes willen duwen

Toen mijn oudste zoon van zestien ongeveer tien jaar geleden problemen op school had waarbij hij om welke reden dan ook frustraties vertoonde die hij soms nogal agressief op andere kinderen kon afreageren, opperde een juf een keer dat hij wellicht hoogbegaafd was omdat hij een slimme en creatieve jongen was die ook zo goed en gedetailleerd kon tekenen. De juf zei ook over mijn zoon dat ze echter niet het idee had dat het zijn bedoeling was om andere kinderen pijn te doen.
Mijn (inmiddels ex-) vrouw en ik moesten er een beetje om lachen omdat we in een tijd leven waarin het wel erg in is om iedereen in hokjes te willen duwen. Vroeger waren kinderen druk, stil en teruggetrokken of heel slim en nu blijken die kinderen opeens respectievelijk ADHD’er, autist of hoogbegaafd te zijn. 
 

Vooroordelen: een nerd met een brilletje

Toen echter een paar maanden later een juf van de kinderopvang hetzelfde vermoeden over hoogbegaafdheid uitsprak, besloot ik toch maar eens iets over dit begrip te gaan opzoeken. Geen onverstandige zet, want wat ik las was zeer leerzaam en vooral verrassend.
Het beeld dat ik van een hoogbegaafde had, bleek zeer eenzijdig te zijn en gebaseerd op vooroordelen. Ik zag een nerd voor me met een brilletje dat overal tienen voor haalde, gepest werd en later een succesvolle professor in de scheikunde werd, of zoiets. Hoe meer ik echter over hoogbegaafdheid las, hoe meer ik mijn beeld moest bijstellen en hoe meer ik ook dingen bij mijn zoon begon te herkennen.
 

Te lastig, te kritisch en te eigenwijs

In het begin dacht ik dat als mijn zoon hoogbegaafd zou blijken te zijn hij dat ongetwijfeld van zijn moeder moest hebben. Zij had tenslotte alles volgens het boekje gedaan: met prachtige cijfers VWO en Universiteit doorlopen om vervolgens met haar sterke ambities een succesvolle carrière als manager te beginnen.
Mijn verhaal was daarentegen compleet anders en allesbehalve succesvol: ik had onopvallend HAVO en VWO doorlopen met vooral veel zesjes. Ik vond school niet leuk, ik hoorde er nooit bij en door tevreden te zijn met zesjes kon ik mijn tijd aan huiswerk beperken ten gunste van mijn uitlaatklep: tennis.
Omdat ik nooit wist ik wat ik “later” precies wilde worden (twijfels die ik overigens nog steeds heb), deed ik met studie en werk maar wat waardoor er ook geen enkele lijn in mijn “carrière” zat en dat dus ook een rommeltje werd met veel eenvoudige banen en ontslagen. Waarbij ik me regelmatig dan ook nog ontzettend dom voelde omdat ik op dat niveau best veel fouten maakte: Jezus, ik ben hoogopgeleid en zelfs dit kan ik niet eens.
Al waren niet de fouten maar mijn karakter de reden voor de meeste ontslagen. Men vond mij blijkbaar (te) lastig, te kritisch en te eigenwijs, terwijl ik voor mijn gevoel alleen maar zinnige dingen zei en niet begreep waarom zij dat niet begrepen. 
 

Voldoen aan het profiel van een hoogbegaafde

Ondanks dat er natuurlijk ook genoeg hoogbegaafden bestaan met prachtige schoolresultaten en succesvolle carrières kwam ik er tot mijn verbazing achter dat ik meer voldeed aan het profiel van een hoogbegaafde dan mijn vrouw.
Daar waar mijn vrouw op het gebied van school, vriendschappen en relaties en werk altijd lekker met de flow was meegegaan, was ik vanaf de middelbare school steeds meer een einzelgänger geworden zonder relaties en met weinig vrienden.
Mijn vrouw stond/staat in haar omgeving ook niet zoals ik bekend als een non-conformistisch, vreselijk eigenwijs en nieuwsgierig persoon met de vervelende neiging om met alles en iedereen in discussie te willen gaan. Noch was/is ze zoals ik wars van autoriteit. Wat maar goed is ook, anders zou ze het natuurlijk nooit tot manager hebben geschopt.
 

Wie heeft God dan gemaakt?

Hoe meer ik hoogbegaafdheidkenmerken bij mijn zoon begon te herkennen, hoe meer ik dat ook deed bij mezelf. Wat niet gek was als je bedenkt dat ik altijd vond dat mijn zoon veel op mij leek.
Terugkijkend op mijn vroege jeugd bedacht ik me dat ik net als mijn zoon goed en gedetailleerd kon tekenen en ik ook zo’n nieuwsgierig kind was dat veel vragen stelde en erg geïnteresseerd was in zaken als geschiedenis, religie (“Wie heeft God dan gemaakt?”, wat ik me trouwens nog steeds afvraag indien Hij mocht bestaan), het heelal, kunst, mysteriën van het leven en de dood etc.
Ik discussieerde veel en wilde graag met mijn ouders naar musea daar waar op je dit gebied normaal gesproken het initiatief vanuit de ouders zou mogen verwachten.
 

Interessante fragmenten uit oude schoolrapporten

Nou weet ik wel dat ik als jong kind nogal druk bleek te zijn, maar dat ik ook agressieve neigingen had stond mij echter niet bij. Gelukkig bleek ik ook in de beleving van mijn moeder nooit problemen met agressiviteit te hebben gehad. Een tijdje later kwam ik echter een paar oude schoolrapporten van me tegen van toen ik tussen de zes en negen jaar oud was en daar stuitte ik op een aantal interessante fragmenten.
Behalve dat ik passages las als “Tonko weet het altijd beter.”, “Tonko wil vaak koste wat het kost het laatste woord hebben.”, “Als alle kinderen luisteren, moet ik vaak op Tonko wachten.” en “Tonko is vaak een beetje te leuk.” vond ik de meest interessante de volgende: “Tonko is een goede leerling die als hij niet echt aan het werk is, heel erg druk kan zijn, wat vaak storend is. Hij is ook wel eens agressief. Ik geloof echter niet dat het zijn bedoeling is een ander pijn te doen.”
Ondanks mijn sterke geloof in het bestaan van toeval denk ik niet dat het toeval is dat de juf van mijn zoon exact hetzelfde over hem zei als mijn juf 41 jaar geleden over mij schreef in mijn schoolrapport.
 

Herkent u dit als volwassenen?

Dat ik mezelf linkte aan hoogbegaafdheid gebeurde overigens niet eerder voordat ik tussen alle lijstjes met hoogbegaafdheidkenmerken bij kinderen een lijstje vond waarop stond: “Herkent u dit als volwassene?” Tot mijn grote verbazing herkende ik mij er volledig in, maar het idee dat ik hoogbegaafd zou kunnen zijn vond ik een belachelijk idee. Toch besloot ik na een tijd voorzichtig wat IQ-testjes te doen in de veronderstelling dat daarmee het definitieve bewijs zou worden geleverd dat het inderdaad belachelijk was.
Grappig is trouwens te zien dat er een hoop discussie is over wat hoogbegaafdheid nu eigenlijk precies is. Nog steeds is daar geen overeenstemming over bereikt. Waar men het wel redelijk over eens lijkt te zijn, is dat je in elk geval een IQ-score moet hebben van 130 of hoger (ongeveer 2 ½ % van de mensheid). Maar waar de een vindt dat het puur draait om de potentie van de hersenen, vindt de ander dat je pas hoogbegaafd bent als je naast een IQ van boven de 130 ook creatief bent, doorzettingsvermogen bezit en uitzonderlijke prestaties hebt geleverd (dan val ik sowieso af).
 

IQ-testen

Ik kocht een paar boeken met IQ-testen aangezien gratis IQ-testen op internet nogal onbetrouwbaar blijken te zijn en jouw score te hoog doen uitvallen. Net als trouwens de Nationale IQ-test van BNN waar diverse BN’ers een IQ halen waar Albert Einstein jaloers op zou zijn geweest.
Nadat ik bloednerveus mijn eerste testje deed, scoorde ik 125 en dat was al veel hoger dan ik had verwacht. Daarna deed ik nog een aantal testen waarbij ik scoorde tussen de 125 en 142 en kon ik voor mezelf in elk geval de conclusie trekken dat mijn idee dat ik dingen herkende van de lijstjes met hoogbegaafdheidkenmerken blijkbaar dus toch niet zo belachelijk was als ik in eerste instantie dacht.
 

Mensa

Later deed ik nog een thuistest van de Mensa (organisatie voor hoogbegaafden). Niet met de intentie om toe te willen treden overigens, want ik heb niets met groepen en zeker niet met een hoogbegaafdenclub. Ik vind dat toch iets hautains en zelfingenomens hebben; net alsof je je boven het “gewone volk” wilt plaatsen. Naar mijn mening is het grootste gevaar voor hoogbegaafden en/of ouders van hoogbegaafden dat ze zich meer gaan voelen dan anderen en/of dat ze heel trots gaan lopen doen over het feit dat zij of hun kinderen hoogbegaafd zijn. Iets wat in dat wereldje, onvermijdelijk maar waar, ook heel erg vaak voorkomt.
Alsof hoogbegaafd zijn een prestatie is en alsof hoogbegaafden niet slim genoeg zijn om dat zelf ook te kunnen bedenken, namelijk dat dat natuurlijk niet zo is. Het is net als een model dat trots zegt te zijn op haar uiterlijk: dat noem ik geen prestatie, dat noem ik “nature”. Ja, een bodybuilder mag van mij trots zijn op zijn uiterlijk, want die heeft er een hoop voor moeten doen en laten.
In feite sluit dit precies aan op een uitgangspunt dat in meer van mijn columns terugkomt: de mens heeft de neiging om geluk met vakmanschap te verwarren en dat is een groot gevaar in de hoogbegaafdenwereld. 
Behalve dit reële gevaar binnen Mensa is er een andere reden waarom ik er nooit zou willen toetreden en die is heel menselijk. Ik heb al de neiging om me minder in gezelschap te voelen en hoe moet dat dan wel niet zijn als ik word omgeven door alleen maar superslimme mensen? Ook al zou ik ze tegemoet treden met de houding van ja maar Tonko je bent zelf ook hoogbegaafd, dan nog zou ik denken dat iedereen om me heen nog veel hoogbegaafder en slimmer is dan ik. Dat zou niet bepaald bevorderlijk zijn voor mijn zelfvertrouwen ben ik bang.
De reden om de thuistest van Mensa te doen was simpel: als ik voor een officiële Mensa-test zou slagen, zou ik me naar mijn omgeving in elk geval minder bezwaard voelen als ik mijn vermoedens tot hoogbegaafdheid zou uitspreken omdat ik dan iets zwart op wit had als “bewijs”. Overigens klopt dat ook niet, want de Mensa-test kan niet beschouwd worden als een officieel bewijs dat iemand hoogbegaafd is maar hooguit als een indicatie. In feite is er maar één manier om dat officieel te bewijzen en dat is door het maken van een officiële, zeer uitgebreide maar ook dure test bij een officiële psycholoog.
 

Op van de zenuwen

Na de thuistest kreeg ik een brief van Mensa waarin stond dat uit deze test bleek dat mijn intelligentie “waarschijnlijk boven het 98e precentiel ligt”. Het 98e percentiel is de toelatingseis van Mensa en houdt in dat je op minimaal één van de twee Mensa-testen een score moet halen die hoort bij de beste twee procent. Anders gezegd: als er willekeurig honderd mensen die test zouden doen moet jij bij de beste twee behoren.
Ik weet dat ik bij die brief heel cynisch dacht van ja, dat schrijven ze natuurlijk aan iedereen zodat ze makkelijk geld voor deelname aan de officiële test kunnen verdienen. Op van de zenuwen - mijn faalangst heb ik helaas van mijn moeder geërfd - ging ik naar de toelatingstest om ervan overtuigd te zijn dat ik daar te midden van allemaal superslimme mensen keihard door de mand zou vallen en gigantisch zou falen en dat gebeurde uiteraard ook. Tenminste in die zin dat mijn score viel in het 96e percentiel en ik dus niet “geslaagd” was.
Voor mij was daarmee de kous af. Ik was niet hoogbegaafd en moest het woord niet over mezelf gebruiken. Wel mocht ik voor mezelf de zeer geruststellende conclusie trekken dat ik een stuk slimmer was dan ik altijd had gedacht. Het was dus niet zo vreemd dat ik hoogbegaafdheidkenmerken bij mezelf herkende.



 

Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


Foto: Tonko (rapport 1973)
 

zaterdag 7 juni 2014

131. Ja vast, jij hoogbegaafd? (1/8)

Privé - Hoogbegaafdheid





Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 137, 138 en 139), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.   


Een profiel 

Je hebt: een sterk gevoel van "anders" zijn; niets met small talk gesprekken en daarom een hekel aan groepen en feestjes waar je je totaal niet op je gemak voelt; een zeer sterk rechtvaardigheidsgevoel; veel innerlijke onrust; problemen met het organiseren van je leven; last van depressiviteit en kluizenaarsperiodes; een laag zelfbeeld met een chronisch gevoel van tekortschieten en mislukken; veel behoefte aan autonomie; een soort humor dat regelmatig niet begrepen wordt; vaak het gevoel onder je niveau te presteren (onderpresteren); strengere normen en waarden dan de maatschappij; perfectionistische neigingen met te hoge eisen en verwachtingen van jezelf en je omgeving, onder andere op het gebied van relaties en vriendschappen, waardoor je snel teleurgesteld raakt als daar niet aan wordt voldaan en het verlammend op je werkt; veel last van faalangst; vaak problemen met het starten van iets omdat door je de vele mogelijkheden niet weet waar je moet beginnen (en vervolgens weer moeite met het afmaken ervan); regelmatig ervaringen van “zie-je-wel-ik-had-toch-gelijk” waardoor je arrogant kunt overkomen; in gesprekken vaak het gevoel dat je je denkbeelden moet uitleggen of verdedigen (of ze worden gewoon genegeerd); de neiging om veel situaties en problemen steeds maar weer rationeel te benaderen; een sterke drang naar prikkels etc.
Je bent: wars van autoriteit (en vice versa); non-conformistisch; eigenzinnig; (te) eerlijk; kwetsbaar; consciëntieus (sterk ontwikkeld geweten); zeer nieuwsgierig; creatief; een solist; erg trouw en loyaal in relaties en vriendschappen; hooggevoelig; een tobber die vaak twijfelt omdat je anders denkt dan de meeste anderen; vaak eenzaam; een snelle, analytische denker en prater; idealistisch, het type dat de wereld zou willen verbeteren; iemand die door zijn omgeving vaak wordt omschreven als serieus, eigenwijs, een betweter en een drammer  en vermoeiend; een chronische uitsteller; snel verveeld; snel geprikkeld, ongeduldig en gefrustreerd etc .
Op het gebied van werk en je carrière constateer je dat je een loopbaan hebt gehad van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Met veel banen op een eenvoudig niveau met allerlei routinematige werkzaamheden waar je steeds heel snel op uitgekeken raakte omdat je een hekel hebt aan herhaling; met veel arbeidsconflicten met leidinggevenden en bijbehorende ontslagen (waarbij je soms van ontslag naar ontslag hobbelde); met collega’s die jou zagen als iemand die regelmatig slecht luisterde, tactloze opmerkingen maakte, moeilijk benaderbaar was, geen doorzettingsvermogen en discipline had, pieken en dalen vertoonde in zijn functioneren en die moeilijk ergens in de organisatie te plaatsen viel. 

Van A tot Z herkenbaar

Alles hierboven heb ik niet verzonnen maar van diverse sites op internet geplukt. Alles van A tot Z herken ik bij mezelf. Alles komt van lijstjes van kenmerken van hoogbegaafdheid.
Links en rechts heb ik de afgelopen jaren in mijn directe omgeving wel eens losgelaten dat ik volgens mij hoogbegaafdheidkenmerken bezit, maar écht hardop heb ik nooit stellig over mezelf durven zeggen dat ik “het” ben. Om diverse redenen: ik heb moeite om van mezelf te denken dat ik hoogbegaafd ben (zeker kijkend naar prestaties zijn er heel veel slimmere mensen op deze wereld dan ik), ik wil niet arrogant overkomen en bovendien merkte ik dat als ik mijn vermoedens tot hoogbegaafdheid uitte ik me vaak niet serieus genomen voelde.
 

Arrogant

Dit kan twee oorzaken hebben: ik bracht dit te twijfelachtig en allesbehalve overtuigend naar buiten waardoor men mij bij voorbaat al niet serieus wenste te nemen. Maar de belangrijkste reden is denk ik veel simpeler: de meeste mensen hebben hun negatieve oordeel over hoogbegaafd al klaar en zullen je meteen arrogant vinden (“Ja vast, jij hoogbegaafd?”) terwijl ze niet of nauwelijks kennis over hoogbegaafdheid hebben en dus helemaal niet kunnen oordelen of jij daaraan voldoet. Wat ook voor mij gold overigens; ik wist er eerst ook niets van.
 

Aardig gevonden willen worden

Het grappige is dat als iemand mij met mijn huidige kennis over hoogbegaafdheid een zelfde soort levensverhaal als de mijne zou vertellen met alle bijbehorende overtuigingen, standpunten, emoties, twijfels en problemen waar hij tegenaan is gelopen, ik meteen zou roepen van “Joh doet niet zo moeilijk, je bent gewoon hoogbegaafd!” Terwijl als het over mezelf gaat, ik dat maar moeilijk kan geloven.
Het heeft ook te maken met die verdomde menselijke eigenschap van mij om aardig gevonden te willen worden. Zeggen dat je bijvoorbeeld ADHD, ADD of autisme hebt of dat je hoogsensitief (HSP) bent, kun je gerust doen. Daar zal niemand negatief op reageren en kun je alle begrip voor verwachten. Maar zeggen dat je hoogbegaafd bent, is hele andere koek. Dan gaan bij de meeste mensen al meteen de haren recht overeind staan en worden de hakken onmiddellijk in het zand gezet, want daar is iemand die even komt beweren dat hij slimmer is dan de meeste anderen en dus waarschijnlijk ook dan jij en daar houden mensen niet van.
Terwijl het in feite vergelijkbaar is met stoornissen en "afwijkingen" als ADHD, ADD, autisme of hoogsensitiviteit, in die zin dat het in alle gevallen kan leiden tot problemen in je leven waar je steeds tegenaan loopt en waarvoor je graag een oorzaak zou willen vinden.
 

Ik ben hoogbegaafd

Maar nu met alle (zelf)kennis die ik in de afgelopen jaren heb opgedaan, durf ik het wel aan om het in elk geval één keer in mijn leven hardop uit te spreken. Ongeacht wat iedereen ervan vindt. Ongeacht of mensen mij nu minder aardig en arrogant(er) gaan vinden: ik ben hoogbegaafd.
 
Alsof ik een homo ben die op latere leeftijd zijn coming-out beleeft.
 



Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


Foto: Tonko (van boek "Hoogbegaafd, nou en?" van Wendy Lammers van Toorenburg)

vrijdag 23 mei 2014

130. Oké Jeroen, je hebt gewonnen...

Actualiteit - Moord en Doodslag/Verkrachting - Scheiden

 


Wanhoopsdaad

Afgelopen maandag 19 mei zond de RKK het programma “Het drama van…” uit. In deze aflevering stond het enorme drama centraal van de moeder van Ruben (9) en Julian (7), Iris van der Schuit.
Een jaar geleden werden de jongens door hun vader en ex-man van Iris, Jeroen Denis, opgehaald om vakantie te vieren. Even later werd Jeroen dood in een bos gevonden, waar hij zelfmoord bleek te hebben gepleegd. Na een wekenlange zoektocht naar de twee jongetjes werden zij dood in een afwateringsbuis gevonden. Vermoord door hun vader.
Denis bleek zijn daad nauwkeurig van tevoren gepland te hebben en had duidelijk de intentie dat de jongetjes nooit zouden worden teruggevonden. Het motief van zijn wanhoopsdaad kwam voort uit onvrede over zijn vechtscheiding met Iris waarin de situatie voor hem steeds ongunstiger begon te worden, met omgangsregelingen waarin hij zijn zoons steeds minder zou mogen gaan zien.
Nu een jaar later geeft Iris voor het eerst een interview over het drama. Een jaar geleden schreef ik al een column over Ruben en Julian, wat overigens - veelzeggend - mijn best gelezen column tot nu toe is (zie column 84).
 

Walgelijk en onvergeeflijk

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat Jeroen Denis heeft gedaan vind ik en ieder mens met gezond verstand walgelijk en onvergeeflijk. Zoals ik al in mijn vorige column schreef, kan ik alle begrip opbrengen voor een wanhopige vader die uit onmacht over het verloop van zijn vechtscheiding geen andere uitweg meer ziet dan zelfmoord. Maar dat geldt niet voor een vader die zijn eigen kinderen meesleept in zijn ellende, puur en alleen maar uit wraak richting zijn ex-vrouw. Ik vind dat weerzinkwekkend.
 

Oppervlakkig interview

Na zo’n drama wat je niemand gunt, is de verleiding groot om vol begrip en medeleven een column te schrijven over Iris en over wat haar is overkomen. Maar gelukkig leef ik in een land met de vrijheid om af te wijken van de meest voor de hand liggende meningsuiting. Bovendien kun je verwachten dat als je als moeder een interview over dit drama afgeeft, je ook reacties kunt krijgen waar je minder blij mee bent.
De reden voor Iris om dit interview te geven, zal ik nooit begrijpen. De aankondiging dat ze in de documentaire “openhartig” over het drama praat, wordt in mijn ogen totaal niet waargemaakt. Van zo’n oppervlakkig interview waarin werkelijk nergens wordt doorgevraagd, zie ik persoonlijk de meerwaarde niet.
 

Klassiek voorbeeld van vechtscheiding

Was ik in mijn vorige column nog terecht voorzichtig en algemeen, nu een jaar later kan en durf ik - onder het overbekende voorbehoud dat niet alles wat je op internet lees waar is - wel wat meer uitgesproken te zijn door bijvoorbeeld in deze situatie hardop te praten van een vechtscheiding. Hoe meer ik over de zaak lees, hoe meer duidelijk het is dat het hier om een klassiek voorbeeld van een keiharde vechtscheiding ging.
 

Ook Jeroen Denis had zijn kant van het verhaal

Misschien was het interview van Iris wel een verlate reactie op het interview dat eind 2013 in het AD stond met de vriendin van Jeroen Denis, Esther Kelder. Zoals ik als mens én gescheiden vader mijn kinderen tot vervelens toe meegeef, hebben veel verhalen (en zeker rondom onderwerpen als een scheiding) twee kanten.
Ook Jeroen Denis had zijn kant van het verhaal. Maar doordat hij dat niet meer kan vertellen, zal zijn vriendin gedacht hebben van dan doe ik het maar. Hoe subjectief deze (net als de andere) kant ook kan zijn, is het natuurlijk wel interessant. 
 

Tactiek van moddergooien

Esther schetst van Jeroen het beeld van een man die een goedzak was en een zorgzame vader voor wie zijn jongens alles waren. Een man die tijdens de rechtszaken vaak water bij de wijn deed om zijn kinderen er niet de dupe van te laten worden, een man ook die nooit in het bijzijn van zijn zoons iets lelijks zei over hun moeder, een man die zich altijd sterk hield voor zijn kinderen maar die later in de auto wel in tranen uitbarstte.
In de ogen van Jeroen hanteerde zijn ex-vrouw de tactiek van moddergooien om de kinderen naar zich toe te trekken.
 

In de rechtspraak hebben moeders een streepje voor

Waar Jeroen aandrong op hulp via bemiddeling, bleef de moeder hem via rechtszaken bestoken met beschuldigingen: dat de kinderen door de omgang met hun vader in hun broek poepten, dat ze zich bij hem niet veilig voelden, dat ze er psychisch onder leden, dat er sprake was van lichamelijke mishandeling en pedagogisch verwaarlozing etc. 
Beschuldigingen die overigens nooit gegrond konden worden verklaard, maar die wel de boel op scherp zetten en de toon bepaalden. Want niemand die de rechtspraak in Nederland volgt bij scheidingszaken en daarbij kijkt naar uitspraken over hoe de zorg over de kinderen tussen de ouders uiteindelijk wordt verdeeld, kan om de conclusie heen dat moeders hierbij een flink streepje voor hebben op vaders.
 

Het probleem van gebrek aan waarheidsvinding

Wat mij doet denken aan een terugkerend standpunt in mijn columns over justitie: in mijn ogen dient het uitgangspunt van rechtspraak altijd rechtvaardigheid te zijn en die kun je alleen maar krijgen door waarheidsvinding.
Te vaak, en zeker bij echtscheidingszaken, draait het om irrelevante issues als ego’s, winnen en verliezen en heel veel aannames die als feit worden gepresenteerd. Niet voor niets bood de kinderombudsman eind 2013 aan de Tweede Kamer een rapport aan waarin het probleem van het gebrek aan waarheidsvinding in de jeugdzorg centraal stond.
 

Alles wat hij deed, was fout

Volgens Esther was er één incident in januari 2013 dat voor Jeroen definitief het tij keerde in zijn nadeel en waarvan je achteraf misschien zou kunnen concluderen dat er toen iets bij hem geknapt moet zijn. Na een driftbui van Ruben zette Jeroen hem onder een douche (warm volgens Esther, koud volgens Iris) om hem af te koelen.
Op het moment dat Iris daarvan hoorde, belde ze niet Jeroen om opheldering te vragen, maar deed ze meteen aangifte bij de politie van mishandeling en meldde ze dit bij Bureau Jeugdzorg.
Toen ze vier dagen later allemaal bij elkaar zaten bij datzelfde Bureau Jeugdzorg was er niemand die Jeroen op de hoogte bracht van de aangifte, “uit angst voor oplaaiende ruzie”. Pas later kreeg Jeroen dit via een andere instantie te horen.
Volgens Esther was Jeroen helemaal overstuur omdat zijn ex wéér een stok had gevonden om hem te slaan. “Zijn jongens waren zijn levensdoel. Dieper konden ze hem niet raken. Telkens werd hij ten onrechte beschuldigd. Ze gunde hem de kinderen niet. Alles wat hij deed, was fout. Hoe leuk we het ook hadden, hij moest elke keer bewijzen dat hij een goede vader was.''

------------------------------------------------------------------------------------


Uit eigen ervaring

Ik kan me uit eigen ervaring wel wat voorstellen bij de onmacht die Jeroen moet hebben gevoeld. Mijn ex-vrouw en ik hebben met en over mijn oudste zoon jaren geleden ook gesprekken gevoerd bij Bureau Jeugdzorg. Mijn arme lieve zoon die destijds ontzettend met zichzelf worstelde, ongelukkig oogde en regelmatig gefrustreerd gedrag vertoonde wat zich helaas uitte in agressieve buien naar zijn omgeving.
Uiteraard wisten professionals van diverse instanties één voor één wel wat er met hem aan de hand was: hoogbegaafd met een disharmonieus model, hoogbegaafd met een harmonieus model, PDD-NOS, MCDD, Asperger-syndroom etc. Aan mijn frustraties over al die vergeefse pogingen van instanties om hem in een hokje te proppen, wijd ik nog wel een andere keer een column (zie onder andere columns 132 en 133).
Naar mijn ex-vrouw toe ben ik altijd heel open geweest, meestal zelfs zwart op wit in e-mails, over mijn goede én slechte momenten met onze zoon. Hierbij vertelde ik altijd eerlijk als ik uit pure onmacht en frustratie hem wel eens wat te hard had aangepakt door hem bijvoorbeeld een flinke tik te geven waarbij ik duidelijk maakte dat ik dat niet goed van mezelf vond.
 

Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen

Ook ik behoor tot de mensen die vinden dat je een kind nooit moet slaan. En dat zal altijd mijn mening blijven. Tegelijkertijd besef ik ook dat als je een niet makkelijk kind hebt met bepaalde problematiek of wellicht "stoornissen" (vreselijk woord trouwens) waardoor hij/zij bijvoorbeeld soms agressief en/of onhandelbaar gedrag vertoont, het voor ieder mens moeilijk dan niet onmogelijk is om  je in zulke situaties altijd maar voor honderd procent te beheersen en geduldig te blijven. Ik denk dat in ieder mens een grens zit tot waar hij/zij zich volledig kan beheersen en zijn/haar geduld bewaart, maar dat als die grens eenmaal gepasseerd wordt het een ander verhaal wordt. En ja, waar die grens precies ligt, zal per persoon uiteraard verschillen. Maar wie hardop kan zeggen dat hij/zij zich in zijn/haar hele leven volledig heeft beheerst ongeacht welke emotionele gebeurtenis dan ook, mag opstaan. Zoals een wijs man ooit zei: “Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.”
Natuurlijk zou ik hier nog de discussie kunnen aangaan met mensen die menen dat als een kind moeilijk gedrag vertoont dat geheel terug te voeren is op de (slechte) opvoeding, maar de vraag is of dat zinvol is. Mijn mening is vrij simpel: hoe een kind is en zich gedraagt komt voort uit een ingewikkelde combinatie van genen, opvoeding en andere omgevingsfactoren. Waarbij ik er zelf van overtuigd ben dat de rol van “nature” minimaal  even groot is als die van de "nurture”.
Feit is in elk geval dat mensen óók in hun ouderschap geneigd zijn geluk te verwarren met vakmanschap en aldus geboekte resultaten geheel wensen toe te schrijven aan de eigen verdiensten, terwijl ze het falen juist liever wijten aan externe factoren (zie ook column 11). Anders gezegd: als je een kind hebt dat braaf is en goede cijfers haalt dan komt dat door jouw goede opvoeding, terwijl als je een kind hebt dat lage cijfers haalt en opgepakt is met drugs in zijn bezit dan komt dat door de slechte invloed van zijn vrienden.
Terwijl de waarheid ook in dit soort situaties vaak gewoon ergens in het midden zal liggen: hoe een persoon is en wordt, wordt voor het grootste deel bepaald door een combinatie van nature en nurture factoren, waarbij je als ouder ook gewoon geluk moet hebben over hoe alles loopt. Simpelweg omdat hoe graag je dat ook zou willen de werkelijkheid is dat je over heel veel factoren in het leven geen controle hebt. Het idee van volledige controle hebben over je leven en over (de opvoeding van) je kinderen is een illusie...
 

Stigmatisering

Op een dag liet mijn ex me weten dat ze aan Bureau Jeugdzorg “ter info” had doorgegeven dat ze vond dat ik onze zoon soms te hard aanpakte. Ik was ontzettend kwaad omdat ik (terecht) vond dat ze dat eerst met mij had moeten bespreken in plaats van hiervan een melding te maken. Ik begrijp ook niet wat ze daarmee wilde bereiken (of misschien toch wel). Het enige wat ze tenslotte met die melding bereikte was een stigmatisering van mij als persoon en het risico dat ik het stempel van kindermishandelaar opgeplakt zou krijgen.
 

Uit pure onmacht en frustatie primaire emoties tonen

Mijn ex-vrouw kende mijn zoon en zijn problematiek natuurlijk net zo goed als ik en wist ook wel dat ik geen kindermishandelaar was/ben, maar slechts een normale liefhebbende vader die gek is op zijn kinderen, maar die soms vanuit pure onmacht en frustratie primaire emoties toont die niet goed maar wel begrijpelijk zijn. Betrapt, ook ik faal wel eens in de opvoeding, ook ik ben een mens.
Daarnaast had mijn ex-vrouw zelf ook de nodige incidenten met mijn zoon gehad, waarbij zij ook wel eens haar zelfbeheersing had verloren. Met dat verschil dat ze daar niet zo open naar mij over was als ik andersom wel (ik hoorde zelf van mijn kinderen natuurlijk wel eens wat voor incidenten er bij mama waren geweest).
Gelukkig is het allemaal met een sisser afgelopen en voor mijn zoon zelfs goed. Inmiddels is hij een zestienjarige puber op 4 VWO die lekker met alles meedraait en die twee ouders heeft die als co-ouders gelukkig gewoon een ruime voldoende scoren denk ik.

------------------------------------------------------------------------------------
 

Eén reden: wraak richting ex

Natuurlijk kan het verhaal van Esther van A tot Z verzonnen zijn en kan de waarheid er heel anders uitzien. Misschien luidt die wel dat Esther samenleefde met een gestoorde man die zijn eigen kinderen én haar én haar twee kinderen jarenlang geestelijk en fysiek mishandelde. Theoretisch kan dat zo zijn. Maar om de een of ander reden geloof ik dat niet.
Wel is ook het verhaal van Esther uiteraard subjectief en besef ik dat maar al te goed. Eén punt waaruit dat in mijn ogen goed blijkt, is haar opmerking dat ze niet gelooft dat Jeroen zijn kinderen uit wraak richting zijn ex heeft gedood, maar omdat hij ze wilde beschermen tegen een opvoeding zonder vader.
Persoonlijk denk ik niet dat Esther dat niet gelooft. Ik denk eerder dat ze dat gewoon niet wil geloven. En wie neemt haar dat kwalijk? Sommige zaken hoeven niet bewezen te worden, omdat de feiten voor zich spreken. Als een wanhopige, liefhebbende vader in een vechtscheiding besluit om behalve zelfmoord te plegen ook zijn kinderen te doden dan is dat echt om maar één reden: wraak richting de ex. Onder het mom van “Als ik de kinderen niet mag krijgen dan jij ook niet.” Discussie overbodig.
 

Naar mijn idee niet

Interessant aan het interview met Iris is dat als ze wordt geconfronteerd met de vraag of het zo is geweest dat ze het Jeroen steeds heel moeilijk heeft gemaakt door de kinderen bij hem weg te houden en daar een strijd van te maken, antwoordt ze: “Naar mijn idee niet. Ik heb vooral het belang van de jongens voorop willen zetten. Een vader heeft recht op zijn kinderen. Alleen sommige dingen kan je niet negeren. Als je kind met een verhaal thuis komt waarvan jij denkt als een ander kind dat mij zou vertellen dan trek ik aan de bel, waarom doe je dat dan niet bij je eigen kind?”
Op de vraag of ze hier meer over kan vertellen, zegt Iris dat “er” (lees: door haar zelf) een aangifte is gedaan tegen Jeroen en dat dat eigenlijk het enige is wat ze erover wil zeggen.
Als ik in zo'n situatie de moeder zou zijn geweest en ik weet dat die verhalen over het weghouden van de kinderen voor de vader volledig uit de lucht gegrepen zijn, dan zou ik zo’n vraag nooit kortaf beantwoorden met “Naar mijn idee niet”. Ik zou vanuit mijn sterke rechtvaardigheidsgevoel fel en emotioneel reageren en uitgebreid met goede argumenten en voorbeelden komen waaruit blijkt dat dat allemaal grote onzin is. In het antwoord van Iris zit echter duidelijk twijfel, waarin ze ruimte laat voor de mogelijkheid dat ze dacht van niet, maar dat ze zich ook zou kunnen vergissen.
Ervan uitgaande dat Iris hier praat over de aangifte naar aanleiding van het douche-incident denk ik alleen maar: in wat voor een wereld zouden wij in godsnaam leven als wij van elke ouder die zijn/haar kind tijdens een driftbui uit onmacht en frustratie eens flink beetpakt of als straf onder de douche zet, aangifte zouden doen van kindermishandeling bij de politie en melding zouden maken bij Bureau Jeugdzorg?
Dan zou de politie geen tijd meer hebben voor andere zaken en zouden er over Bureau Jeugdzorg niet een maar honderd rapporten verschijnen over hun gebrek aan het vermogen tot waarheidsvinding. 
 

O zo foute opmerking

Wat voor mij het definitieve bewijs is dat je hier kunt spreken van het ultieme voorbeeld van een vechtscheidingsdrama, vind ik het gegeven dat toen de lichamen van de zoons net waren gevonden Iris op haar Facebookpagina schreef: “Oké Jeroen, je hebt gewonnen.” Een bericht dat later weer snel werd verwijderd.
Zelfs als je hierbij rekening houdt met het feit dat dit geschreven is door een moeder die overmand is door emoties na de officiële bevestiging dat haar zoons dood zijn, dan nog is dit natuurlijk een o zo foute en veelzeggende opmerking over hoe je dit drama óók kunt interpreteren. Het klinkt in mijn ogen in elk geval als iemand die het allemaal als een strijd heeft ervaren waarbij ze helaas heeft moeten concluderen dat ze die uiteindelijk verloren heeft.
 

Leven met vreselijk schuldbesef

Ik kan Iris niet anders zien dan een slachtoffer van een vreselijke moord op haar kinderen waar haar ex-man volledig verantwoordelijk voor is. Maar ik zie ook een moeder die diep in haar hart beseft dat als ze zich tijdens de scheiding niet zou hebben laten leiden door haar negatieve en wraakzuchtige emoties maar door haar redelijk verstand, dit drama nooit zou hebben plaatsgevonden.
Hierdoor zal zij behalve met de pijn van het verlies van haar zoons verder moeten leven met het vreselijke schuldbesef dat ook zij een rol in het gebeuren heeft gespeeld.
 

Eerbetoon aan Ruben en Julian

Ik kan alleen maar hopen dat de zaak Jeroen Denis in Nederland een symbool gaat worden voor wat de gevolgen kunnen zijn van een uit de hand gelopen vechtscheiding. Als eerbetoon aan Ruben en Julian. Laat het vooral een waarschuwing en leermoment zijn richting hulpverlenende en juridische instanties om voortaan in scheidingszaken altijd waarheidsvinding en rechtvaardigheid (vooral voor de betrokken kinderen) centraal te stellen en om de ouders te begeleiden in het volledig met elkaar leren communiceren vanuit het verstand in plaats van vanuit het gevoel en de emotie.




Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.



woensdag 21 mei 2014

129. De extreme wil om te blijven leven

Actualiteit - De Dood - Religie/Geloof  

 


Eerste Nederlandse astronaut

Ach gossie, Wubbo Ockels is dood. Ik was er al bang voor. Ik behoor nog tot de generatie die bij een beroemde Nederlandse astronaut meteen denkt aan Wubbo Ockels in plaats van aan zijn opvolger André Kuipers. Op zich logisch, want Wubbo was natuurlijk de eerste Nederlandse astronaut en dat zal hij altijd blijven.₁
Ik zal niet beweren dat Wubbo een grote held van me was, maar als kleine jongen was ik al zeer geïnteresseerd in het heelal, zwarte gaten en astronauten en keek ik geboeid naar programma’s als “TROS Wondere Wereld” met de jeugdheld van veel huidige wetenschappers en astronomen naar ik aanneem, sterrenkundige Chriet Titulaer. Die op het moment van schrijven gelukkig nog wel blijkt te leven overigens.
Waar Wubbo bekend was om zijn grote snor, was Chriet dat om zijn kabouterbaardje (zonder snor) en zijn hese stem. Toen Wubbo mijn, en ongetwijfeld nog veel meer zijn jongensdroom om ooit astronaut te worden in 1985 mocht waarmaken, was ik natuurlijk toch wel een beetje jaloers.
 

Tegen beter weten in hopen op een wonder

Afgelopen jaar kwam Wubbo Ockels weer terug in het nieuws maar helaas om een nare reden: hij had te horen gekregen dat hij niet lang meer te leven had door uitgezaaide niercelkanker.
Het aandoenlijke was dat toen Wubbo afgelopen halfjaar te gast was bij Pauw&Witteman en de Tros TV-show van Ivo Niehe ik een zeer emotionele man zag die absoluut niet dood wilde, die dat eigenlijk ook weigerde te accepteren en die er alles aan deed om een manier te vinden waarop hij toch “gewoon” volledig zou kunnen genezen.
Ik weet nog dat ik hem vol mededogen aanschouwde en alleen maar dacht van: ach gossie, dat gaat je niet lukken. Ik was vooral benieuwd hoe lang het nog zou gaan duren voordat ik het nieuws van zijn overlijden zou horen.
Helaas bleek mijn vrees niet ongegrond en heeft het niet zo lang meer geduurd. Al hoopte ook ik op een wonder, tegen beter weten in. Net als Wubbo zelf vermoed ik zomaar. Als uiterst intelligente wetenschapper moet hij veel waarde hebben gehecht aan wetenschappelijke feiten en bewijzen en die waren er eenvoudigweg niet op het gebied van mogelijkheden tot een wonderbaarlijke genezing van zijn ziekte.
 

Heil zoeken in alternatieve geneeskunde

Dat zelfs zo’n wetenschapper pur sang als Ockels na de officiële diagnose toch besloot om zijn heil te gaan zoeken in de alternatieve geneeskunde vind ik opvallend, maar tegelijkertijd tekenend voor de sterkste drijfveer die een mens kan hebben: de extreme wil om te (blijven) leven.
In plaats van de laatste periode van zijn leven thuis in de omgeving van zijn gezin en familie door te brengen, zocht Ockels over de hele wereld mensen op die in meer of mindere mate claimden methoden te hebben ontdekt waarmee je fysieke wonderen kon verrichten. Ik kan mij zo voorstellen dat zijn familie dit graag anders had gezien...
Het deed me denken aan de lieve vrouw van een vriend van me die een aantal jaren geleden door uitgezaaide borstkanker zich in een vergelijkbare positie als Ockels bevond (zie ook column 35). Met haar sterke wil en spirituele inslag wendde ook zij zich tot het alternatieve circuit in de hoop dat daar nog mogelijkheden waren. Zo vond ze in Duitsland een experimentele methode voor opgegeven kankerpatiënten die echter uiteraard een boel geld kostte. Om dit te bekostigen werd via een weblog opgeroepen om haar financieel te steunen.
 

Vervelend dilemma

Met mijn ambivalente gevoelens leverde dit een vervelend dilemma op. Aan de ene kant was daar mijn scepsis over het aangaan van een dure alternatieve methode op een moment dat je door de reguliere geneeskunde bent opgegeven. Maar aan de andere kant wilde ik gewoon geld geven, omdat het verdomme wel om iemands leven ging en ik toch ergens in mijn achterhoofd de menselijke wishful thinking-gedachte had van stel je nou eens voor dat de methode tegen alle verwachtingen in wel aanslaat.
Uiteindelijk gaf ik door de combinatie van hoop op een wonder en het voorkomen van een knagend geweten toch een aardig bedrag, maar het vervolg laat zich raden. Een paar maanden later overleed ze.
 

Bofkanker

Een gezond mens wil al geloven, maar een medisch opgegeven wanhopig mens wil dat nog veel meer. Ik kan me goed voorstellen dat als je niets meer te verliezen hebt je alles aangrijpt onder het mom van baat het niet dan schaadt het niet. Waar ik echter niet bij kan, is dat er gewetenloze kwakzalvers bestaan die misbruik maken van de wanhoop van dit soort mensen en die er veel geld aan verdienen.
Maar gelukkig was Wubbo een grenzeloze optimist die vond dat hij “bofkanker” had omdat de ziekte hem in zijn laatste fase nog zoveel nieuwe mooie ervaringen had bezorgd. Als je dan toch dood gaat, kun je beter zo gaan.
 

Mijn tijd staat stil

Nederlands eerste astronaut is niet meer₁: "Mijn tijd staat stil" komt op zijn grafsteen te staan. Zonde, want als het aan hem gelegen had, was zijn tijd pas over twintig jaar stil komen te staan.
Wellicht brengt zijn laatste vlucht hem naar een plek van waaruit hij een nog beter uitzicht op de aarde en het heelal heeft dan vanuit zijn spaceshuttleraampje. Maar ik denk het niet. En ik vermoed zomaar dat Wubbo dat zelf ook niet dacht.
"Je hebt eigenwijze mensen en hele eigenwijze mensen", zei Gean Ockels, dochter van Wubbo. En tot welke categorie zij haar vader rekende, laat zich raden. Vermoedelijk is Wubbo het type dat als hij in de hemel wordt opgewacht door God hij zegt "Dat kan niet, want jij bestaat helemaal niet." Ik houd daar wel van.




Tonko

Wil je reageren op deze column? Ik hoor graag jouw mening!
Klik onderaan dit blog op "(Geen) opmerkingen" en plaats je reactie.


₁ Wubbo Ockels was weliswaar de eerste astronaut met de Nederlandse nationaliteit, maar wanneer we “geboren in Nederland” als criterium zouden hanteren dan zou de in 1975 tot Amerikaan genaturaliseerde Lodewijk van den Berg nét hebben gewonnen. Beiden werden met de Challenger-spaceshuttle de ruimte ingeschoten: Van den Berg op 29 april 1985 en Ockels zes maanden later op 30 oktober 1985.

Boek over de mens in het heelal van Chriet Titulaer (foto: Tonko)